Wat is een bijbaan?

Een bijbaan is een betaalde deeltijdbaan die iemand naast zijn of haar andere activiteiten, zoals studie of een opleiding, heeft om geld te verdienen. Over het algemeen hebben daarom studenten en scholieren een bijbaan. Iemand die een bijbaan heeft gebruikt deze baan over het algemeen alleen om geld te verdienen. Bijbanen hoeven dus geen loopbaanperspectieven te bieden. Ook hoeft een bijbaan niet bij de te dragen aan de ontwikkeling van de persoon die de bijbaan heeft. Een bijbaan is dus geen stage of beroepspraktijkvorming.

Iemand met een bijbaan kan het geld dat hij of zij daar mee verdient bijvoorbeeld gebruiken om een deel van de studie of opleiding te betalen. Voor een bijbaan worden vaak geen of nauwelijks diploma’s gevraagd. Het gaat bij de meeste bijbanen om laaggeschoold werk. Daarbij kun je denken aan vakkenvullen, schoonmaken of seizoenswerk in de agrarische sector. In sommige gevallen is het mogelijk dat leerlingen meer uren gaan draaien tijdens vakantieperiodes. Dat zorgt er voor dat een bijbaan niet altijd het zelfde werkrooster heeft. Ook de verdiensten verschillen per bijbaan.

Verschillen tussen BBL en traineeship

Een BBL-traject lijkt een beetje op een traineeship omdat beide opleidingstrajecten in de regel binnen een bedrijf worden gevolgd. Toch zijn er grote verschillen tussen een traineeship en een BBL-opleiding. Hieronder worden de belangrijkste verschillen benoemd en wordt een duidelijk beeld gegeven van de begrippen traineeship en BBL-traject.

Traineeship
Een traineeship is een bedrijfsgebonden ontwikkeltraject en wordt over het algemeen aangeboden om een werknemer zich te laten ontwikkelen binnen een bedrijf in een soort trainingsprogramma. Daardoor is een traineeship in de praktijk vaak sterk organisatiegericht. Over het algemeen heeft een bedrijf een traineeship ontwikkeld en wordt het traineeship gegeven door trainers die werkzaam zijn bij het bedrijf of door het bedrijf zijn ingehuurd. De inhoud van een traineeship is er op gericht om de deelnemer (trainee) kennis te laten maken met de organisatie en het takenpakket dat hem of haar wordt opgedragen. Daarbij komen vaak ook algemene sectorgebonden aspecten aan de orde zoals informatie over wet- en regelgeving. Ook worden tijdens een traineeship vaak vaardigheden en competenties getraind die nuttig zijn om het werk goed uit te kunnen voeren.

BBL trajecten

Bij een BBL traject wordt juist gebruik gemaakt van BBL-opleidingen van een ROC of ander mbo-opleidingsinstituut. BBL is de Beroeps Begeleidende Leerweg en is een opleidingsvorm die binnen het MBO wordt gehanteerd naast de BOL variant. BOL staat voor Beroeps Opleidende Leerweg en is met name de theoretische richting waarbij de deelnemers of leerlingen meer op school aanwezig zijn dan op een stage of beroepspraktijkvorming. BBL is juist de praktijkgerichte vorm waarvan het praktijkdeel wordt beschouwd als het grootste deel van de opleiding. Deze praktijk wordt gehouden bij een erkend leerbedrijf waar de leerling het grootste deel van de opleiding werkzaam zal zijn.

BBL en Bol zijn officiële opleidingsrichtingen binnen het mbo. Daardoor is een BBL-opleiding door de overheid erkend en dat is met een traineeship niet het geval. Bovendien duurt een volledige BBL-opleiding vaak langer dan een traineeship. Een volledige BBL-opleiding duurt drie tot vier jaar en een traineeship een half jaar tot een jaar gemiddeld. Dat is natuurlijk afhankelijk van het bedrijf en de functie. Over het algemeen heeft een BBL-opleiding een grotere meerwaarde op de arbeidsmarkt dan een traineeship. Toch kan een traineeship bij een groot gerenommeerd bedrijf er voor zorgen dat iemand zichzelf of haarzelf goed heeft ontwikkeld binnen een bepaalde beroepsgroep. Ook dat kan voor meerwaarde zorgen op de arbeidsmarkt.

Informatie over concurrentiebeding

Een concurrentiebeding is een begrip dat wel gebruikt wordt in een arbeidsrelatie tussen een werkgever en een werknemer. Over het algemeen heeft de werkgever een bepaald belang bij het opnemen van een concurrentiebeding. Binnen een arbeidsovereenkomst kan een concurrentiebeding worden opgenomen door de werkgever. De werkgever kan met het opnemen van een concurrentiebeding trachten te voorkomen dat de werknemer wanneer deze de organisatie verlaat aan de slag gaat bij een concurrent. Op die manier kan de (voormalig) werkgever worden benadeeld. In deze tekst heeft student Tjerk van de Meij informatie verzameld over het begrip concurrentiebeding. Deze informatie heeft hij gebruikt voor de onderzoeken die hij heeft gedaan tijdens zijn opleiding Human Resource Management aan de Noordelijke Hogeschool in Leeuwarden.

Concurrentiebeding van toepassing?
Een concurrentiebeding zal pas van toepassing zijn nadat een arbeidsovereenkomst eindigt en is een bescherming voor de werkgever. Een concurrentiebeding stelt volgens artikel 7:653 van het burgerlijk wet boek dat, over de door beide partijen overeengekomen periode, de werknemer na het verlaten van de organisatie niet bij een directe concurrent in dienst mag treden. Dit om eventuele financieel schade voor de voormalige werkgever te doen voorkomen. Bij een overtreding van het concurrentiebeding kan er een boete ten laste van de werknemer worden opgelegd.

Schriftelijk concurrentiebeding
De auteurs van het boek “Arbeidsrecht begrepen” spreken van een tegenstelling in de wet. Zoals hiervoor genoemd legt een concurrentiebeding beperkingen op bij de werknemer, terwijl de vrijheid op arbeid is geregeld in de Nederlandse grondwet. Dit is de reden waarom een werknemer schriftelijk met een concurrentiebeding akkoord moet gaan. Echter, is dit in de praktijk vaak niet te weigeren voor de werknemer. Een concurrentiebeding is veelal een deel van de arbeidsovereenkomst, als de werknemer niet met dit beding instemt wordt in het algemeen de gehele arbeidsovereenkomst niet getekend. Een mondelinge overeenkomst tot een concurrentiebeding is nooit rechtsgeldig.

Beperkingen concurrentiebeding
Doordat een werknemer in het algemeen met een concurrentiebeding dient in te stemmen, heeft de overheid bepaald beperkingen gesteld aan het concurrentiebeding. Een organisatie mag een concurrentiebeding opstellen voor een bepaalde geldigheidsduur, of een bepaalde regio, of alleen voor bepaalde functies binnen de organisatie. Een algemeen concurrentiebeding voor onbepaalde tijd zoals deze in het verleden wel werd opgenomen in een arbeidsovereenkomst kan dus niet meer.

Concurrentiebeding en een contract voor onbepaalde tijd
Concurrentiebedingen worden hoofdzakelijke opgenomen in een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, dus een vast contract. Bij een contract van bepaalde tijd mag door de werkgever een concurrentiebeding worden opgenomen, dit alleen als de werkgever dit sterk kan motiveren door middel van een schriftelijke motivatie. Dit wordt vanuit de wetgeving de motivatieplicht genoemd en mag alleen worden toegepast bij sterk wegende bedrijfsbelangen.

Concurrentiebeding en bijbanen
Stagiairs en werknemers die een bijbaan hebben krijgen in de praktijk zelden te maken met het begrip concurrentiebeding. Doordat de stagiairs tussen 480 – 960 uren toegewezen krijgen om stage te lopen, is er geen sprake van een contract van onbepaalde tijd en dus geen concurrentiebeding. De stagiaires lopen daardoor geen risico bij hun eventueel momentele werkgever. Het zou kunnen voorkomen dat een stagiair wegens een concurrentiebeding zijn huidige (bij-) baan zou moeten opzeggen. Dit is bij een tijdelijk contract niet het geval.

Aansprakelijkheid stagiairs tijdens stage

Jaarlijks lopen tienduizenden leerlingen een studenten een stage bij een leerbedrijf. Gelukkig verlopen de meeste stages zonder problemen maar er kunnen calamiteiten of schade ontstaan tijdens de stage. Deze schade of andere problemen kunnen door het personeel van het bedrijf ontstaan, door weersinvloeden en andere invloeden van buitenaf maar ook door de stageloper. Wanneer de stagiair betrokken is geweest bij een ongeval of ander incident met schade dan kan de aansprakelijkheid ter sprake komen.

Stage en aansprakelijkheid

Student Tjerk van de Meij heeft voor zijn stage bij uitzendbureau Technicum onderzocht hoe de aansprakelijkheid van stagiairs bij de wet is geregeld. Onderstaande informatie heeft hij over dit onderwerp verzameld.

Uit een artikel van de Vrije Universiteit van Amsterdam (2015) blijkt dat de aansprakelijkheid bij (bedrijfs-) ongevallen bij stagiaires overeenkomt met de aansprakelijkheid bij het inlenen van bijstandsgerechtigden en vrijwilligers, dit blijkt uit jurisprudentie van het Hof. Er wordt uitgelegd dat wanneer een stagiair slachtoffer is van een bedrijfsongeval, deze stagiair altijd net als reguliere medewerkers beroep kan doen op het goed werkgeverschap. Dit is benoemd in artikel 611 van het burgerlijk wetboek boek 7.
Net als de reguliere werknemer, moet de werkgever de stagiair voorzien van de in artikel 7:658 BW bepaalde elementen om schade te doen voorkomen.

  • De werkgever moet zorgen dat de werknemer/stagekracht geen schade kan oplopen door het gereedschap waar hij of zij mee werkt. Ook zonder notitie of werkinstructie moet dit gereedschap goed zijn en niet tot schade leiden. Wanneer dit gebeurt is de werkgever of stagegever aansprakelijk.
  • De werkgever is aansprakelijk wanneer de werknemer of stagiair schade ondervind tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden.
  • De werknemer wordt ten alle tijden beschermd en mag niet worden benadeeld in de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de schade en de afwikkeling daarvan.
  • Ook wanneer de werknemer of stagiair geen arbeidsovereenkomst heeft met de werkgever, is de werkgever wel aansprakelijk als er schade voordoet beschreven in de bovenstaande opsomming. De werkgever is aansprakelijk omdat er dan arbeid wordt verricht ten gunste van de werkgever.

Doorgeleidingsplicht
Wanneer een werknemer of stagiair zich roekeloos gedraagt en daardoor schade oploopt, is de werkgever niet aansprakelijk. Dit dient echter wel bewezen te worden. Daarbij is het ook belangrijk dat de werkgever kan aantonen dat hij de werknemer van te voren goed heeft geïnstrueerd. Wanneer een uitzendkracht werkt voor een uitzendbureau bij een ander bedrijf dan zal het uitzendbureau op basis van de doorgeleidingsplicht de stagiair van alle relevante informatie moeten voorzien met betrekking tot de werkzaamheden en de veiligheidsaspecten die daarbij aan de orde kunnen komen. Ook het uitzendbureau kan namelijk aansprakelijk worden gesteld wanneer deze nalatig is geweest op het gebied van de doorgeleidingsplicht voor de stagiair.

Beroepsbegeleidende leerweg BBL

De beroepsbegeleidende leerweg wordt ook wel afgekort met de hoofdletters BBL of met bbl en is een praktijkgerichte vorm van het middelbaar beroepsonderwijs oftewel het mbo. BBL wordt ook wel werken en leren genoemd omdat de deelnemer aan deze opleiding grotendeels werkzaam is in de praktijk bij een erkend leerbedrijf. BBL opleidingen worden aangeboden door Regionale OpleidingsCentrums (ROC) en Agrarische OpleidingsCentrums (AOC). Tijdens een BBL-opleiding werkt de leerling ongeveer 80 procent van zijn of haar tijd bij een erkend leerbedrijf. De overige twintig procent van de tijd is de leerling aanwezig op het opleidingsinstituut voor theorielessen, praktijklessen, toetsen en examens.

Werkend leren?
BBL is een combinatie tussen werken en leren. Dat betekend dat er op deze praktijkgerichte opleiding een bepaalde balans is tussen leren in de praktijk en leren op school. Dat is voor bepaalde leerlingen ideaal omdat niet iedereen het beste uit zichzelf haalt op school. Sommige mensen leren beter door te doen. Dat betekent dat deze mensen liever in de praktijk vaardigheden en competenties toepassen in een beroep. Het werkend leren is vooral interessant in echte doe-beroepen waarin assistenten of BBL-ers worden opgeleid tot vakmensen of vakvolwassen werknemers. Bovendien werkt men in de praktijk vaak anders dan in de theorie op school wordt aangegeven. Ervaren krachten hebben in de uitvoering van hun werk vaak vaardigheden en technieken aangeleerd die ze kunnen overbrengen op BBL-ers en andere aankomende vakkrachten. Dat zorgt er voor dat werken en leren in de vorm van BBL er voor zorgt dat er ook technische- en praktijkvaardigheden worden geleerd die niet eens in de theorie vermeld zijn.

Vooropleiding voor BBL
BBL-opleidingen zijn er op verschillende niveaus. Meestal kan je een BBL opleiding in een bepaalde richting volgen van niveau 1 tot en met niveau 4. Voor het instroomniveau is meestal geen vooropleiding vereist. Dit instroomniveau is niveau 1 en zorgt er voor dat je een assistent bent in een bepaalde beroepsgroep. Na niveau 1 volgen de hogere niveaus waarvoor een vmbo opleiding of een Havo opleiding als vooropleiding is vereist. Als je precies wilt weten welke vooropleiding je voor een bepaalde BBL-opleiding nodig hebt kun je dat vragen aan een ROC of AOC waar de desbetreffende BBL-opleiding wordt gegeven.

BBL in de techniek
Technischwerken.nl is een website met informatie over de techniek en de technische arbeidsmarkt. Geen wonder dat op deze website vooral wordt gekeken naar technische BBL opleidingen hoewel er ook andere BBL opleidingen zijn. In de techniek is vooral in de installatietechniek, elektrotechniek en de werktuigbouwkunde een groot tekort aan technisch personeel. De overheid en bedrijven proberen daarom leerlingen te werven voor BBL-trajecten zodat er voor de toekomst meer technisch personeel wordt opgeleid. Daarbij zijn ook vaak technische (VCU) uitzendbureaus aangesloten.

VCU uitzendbureaus en BBL
Technische uitzendorganisaties zoals Technicum leveren BBL opleidingen aan hun uitzendkrachten en gedetacheerd personeel. Daarvoor heeft Technicum opleidingscoördinators in dienst die adviezen geven over BBL trajecten en de BBL-ers ook daadwerkelijk begeleiden. Technicum heeft daarnaast ook een groot netwerk aan erkende leerbedrijven waar ze haar BBL-ers aan de slag laat gaan om te werken aan hun vakkennis en praktijkvaardigheden. Technischwerken.nl heeft een samenwerkingsverband met Technicum op het gebied van BBL. Als je interesse hebt in een technisch BBL-traject kun je via het contactformulier je gegevens naar de websitebeheerder sturen of het BBL aanmeldformulier invullen. Dit aanmeldformulier voor BBl kan worden gevonden op de hoofdpagina van de website onder het knopje ‘BBL Technicum’.

Wat doet een praktijkopleider?

Praktijkopleiders zijn werkzaam bij erkende bedrijven en hebben de verantwoordelijkheid om stagiaires en leerlingen te begeleiden bij hun beroepspraktijkvorming (BPV). Dit houdt in dat de een praktijkopleider op het werk aankomende vakkrachten ondersteund en coacht bij hun ontwikkeling. De praktijkopleider heeft te maken met verschillende personen zowel met de BPV-docent van het roc als de leerling.

Ook kan de praktijkopleider contact hebben met het uitzendbureau als de leerling via een uitzendbureau bij de organisatie werkzaam is. Praktijkopleiders hebben meestal een specifieke opleiding gevolgd die voor een theoretisch en praktisch kader zorgt waardoor ze de begeleiding van de leerlingen zo goed mogelijk kunnen uitvoeren. Deze opleiding is op mbo-niveau en heeft de naam: ‘mbo praktijkopleider niveau 4’.

Een praktijkopleider heeft naast het begeleiden van leerlingen ook een andere (hoofd) functie binnen een bedrijf. Dit kunnen verschillende functies zijn. Zo kan een praktijkopleider bijvoorbeeld de functie voorman hebben of een medewerker personeelszaken zijn. In sommige, meestal wat kleinere bedrijven, is de directeur of eigenaar meestal de persoon die leerlingen helpt met de beroepspraktijkvorming. De begeleiding van leerlingen is daardoor vaak een neventaak of een nevenfunctie van een werknemer die als praktijkopleider is aangemerkt.

Taken van de praktijkopleider
De praktijkopleider heeft een breed takenpakket. Dit komt doordat iemand met deze (neven)functie met verschillende personen contacten moet onderhouden. Dit vereist wat van de communicatieve vaardigheden van de persoon in kwestie. Deze persoon moet namelijk met zowel docenten van een opleidingsinstituut communiceren als met leerlingen op de werkvloer. Hij of zij moet daardoor schakelen tussen verschillende communicatiestijlen. Verder moet de praktijkopleider ook in staat zijn om leerlingen te beoordelen en eventueel te sturen of te berispen als ongewenst gedrag wordt vertoond of als er grove fouten worden gemaakt door de leerling. De praktijkopleider heeft de volgende taken:

  • Selecteert de kandidaten  voor een BBL-plek en voert intakegesprekken met hen.
  • Organiseert  activiteiten rondom de introductie van leerlingen binnen het bedrijf.
  • Begeleidt de leerlingen bij het leren van nieuwe werkzaamheden.
  • Onderhoudt contacten met het opleidingsinstituut.
  • Houdt vorderingen bij en bijzonderheden omtrent de ontwikkeling van de leerling.
  • Beoordeelt en bespreekt de vorderingen van de leerling.
  • Coördineert de beroepspraktijkvorming van de leerlingen.
  • Bevordert de integratie tussen theorie en praktijk op de werkvloer.
  • Voert daarnaast ook administratieve taken uit die horen bij de praktijkbegeleiding.

MBO praktijkopleider niveau 4

De opleiding mbo praktijkopleider is een opleiding die kan worden gegeven aan werknemers die al een bepaalde functie hebben in een bedrijf of organisatie. De opleiding is bedoelt om de desbetreffende werknemer vaardigheden aan te  leren die hij of zij kan gebruiken om andere collega’s of stagiaires te begeleiden in hun leerproces. Op de opleiding mbo praktijkopleider wordt aandacht besteed aan de methodes die kunnen worden gehanteerd om leerlingen en stagiairs op de werkvloer te begeleiden.

Vaardigheden aanleren
Omdat het een opleiding praktijkopleider is wordt veel aandacht besteed aan de praktijk. Dit houdt in dit verband in dat men op de opleiding vooral praktische vaardigheden aanleert. Men krijgt informatie over hoe men het beste kennis kan overdragen op leerlingen en stagiairs. Ook leert men om deze aankomende vakkrachten te coachen en te ondersteunen bij hun leerproces. Daar komen persoonlijke didactische vaardigheden bij kijken maar men leert ook de bijbehorende administratie op orde te houden. Op de opleiding praktijkopleider leert men ook een opleidingsplan te schrijven voor werknemers die bijvoorbeeld een opleidingsvraagstuk hebben en zich breder willen ontwikkelen of zich willen specialiseren.

Praktijkbegeleiding in diverse sectoren
Praktijkopleiders zijn er in verschillende sectoren. Zo zijn er praktijkopleiders in de beveiligingssector en in de zorg. Ook in de techniek zijn veel praktijkopleiders werkzaam. Een mbo opleiding praktijkopleider richt zich op alle sectoren. Dit houdt in dat het een brede opleiding is waarbij vaardigheden worden aangeleerd die in verschillende sectoren kunnen worden toegepast. Daarom gaat men niet in op de technieken en processen die in een bedrijf worden uitgevoerd. Een voorman van een lasbedrijf die bijvoorbeeld praktijkopleider wil worden om leerlingen te ondersteunen bij het leren van lassen zal tijdens de opleiding tot praktijkopleider niet vaardigheden ontwikkelen over hoe hij het beste leerlingen kan ondersteunen bij het lasproces. Wel zal deze voorman leren hoe leerlingen het beste in het algemeen kunnen worden begeleid bij het aanleren van nieuwe vaardigheden (in de techniek).

Vooropleiding voor mbo praktijkopleider
Om een opleiding mbo praktijkopleider te volgen zal iemand minimaal een VMBO-diploma moeten hebben. Dit diploma kan zijn behaald in de Kaderberoepsgerichte leerweg, Gemengde leerweg of Theoretische leerweg. Een aantal jaren HAVO of VWO evenals een overgangsbewijs van HAVO/VWO naar HAVO /VWO 4 is ook in de meeste gevallen voldoende. Voor specifieke vragen hierover kun je contact opnemen met een Regionaal Opleidingscentrum (ROC) bij jou in de buurt.

Wat is een stagiair of stagiaire?

Een stagiair is een persoon die een stage volgt voor een opleiding. Een stage is een praktijkdeel van een opleiding en wordt meestal bij een externe organisatie uitgevoerd. De stagiair is tijdens een stage geen werknemer van de organisatie waar de stage wordt gehouden. Wel kan een stagiair een vergoeding krijgen voor de werkzaamheden die tijdens de stage worden verricht. Deze vergoeding kan bijvoorbeeld reiskosten zijn maar het is ook mogelijk dat er een bescheiden uurvergoeding wordt betaald. De vrouwelijke vorm van stagiair is stagiaire. In de praktijk gebruikt men de benaming stagiair en stagiaire dikwijls door elkaar heen.

Leerproces centraal
Een stagiair of stagiaire volgt een stage vooral om te leren. Hij of zij leert de theorie van de opleiding toe te passen in de praktijk. Daarvoor is echter wel begeleiding nodig. Deze begeleiding wordt vaak geboden door het bedrijf waar de stage wordt gehouden. De zogenaamde stagebegeleider is over het algemeen iemand met ruime ervaring binnen het bedrijf zodat de stagiair goed van hem of haar kan leren en eventueel vragen kan stellen als dat nodig is.

Stagebegeleider
Meestal krijgt een stagiair ook vanuit de opleiding een begeleider toegewezen. Dit is over het algemeen een docent. De docent ondersteund de stagiair vooral op theoretisch gebied en hoort de voortgang in de gaten met betrekking tot de opdrachten die de stagiair voor de opleiding moet afronden. Op stages worden vooral praktijkopdrachten gedaan. Dit zijn doe-opdrachten waarbij een stagiair daadwerkelijk taken moet uitvoeren in de praktijk. Deze taken moeten passen bij de opleiding en het opleidingsniveau van de stagiair.

Beroepspraktijkvorming
Van de (praktijk)opdrachten worden reflectieverslagen gemaakt zodat de stagiair leert te evalueren wat hij of zij heeft gedaan ter voorbereiding en tijdens het daadwerkelijk uitvoeren van de taak. De stagiair brengt in kaart wat goed is gegaan en wat in de toekomst beter gedaan kan worden. Zo leert de stagiair om zijn of haar eigen beroepshouding te ontwikkelen. Een stage wordt door sommige opleidingsinstituten ook wel beroepspraktijkvorming genoemd. Omdat men van dat woord moeilijk een benaming van een persoon kan maken ( het is vrij lastig om beroepspraktijkvormingskandidaat te zeggen) gebruikt men in de praktijk vaak nog het woord stagiair of stagiaire.

Wat is stage?

Stage is een onderdeel van een opleiding waarin een leerling of student in de praktijk op een werklocatie leert. Stage wordt ook wel beroepspraktijkvorming genoemd en geeft leerlingen de mogelijkheid om de theorie die op school is aangeleerd in de praktijk toe te passen bij een bedrijf. Hierdoor ontwikkelt de leerling zijn of haar beroepshouding en vaardigheden binnen een bepaald vakgebied. Daarom spreekt men als met het heeft over stages ook wel over beroepspraktijkvorming. Men leert en vormt zichzelf namelijk in de praktijk. Het volgens van stages is een verplicht onderdeel van opleidingen. Stages worden zowel op lagere beroepsopleidingen als op middelbare beroepsopleidingen gehouden. Ook in hogere beroepsopleidingen zullen studenten een stage moeten volgen.

Stage is noodzakelijk
Er zijn zeer veel verschillende opleidingen die men in Nederland op lbo, mbo en op hbo niveau kan volgen. Niet alleen het niveau verschilt ook de inhoud en de beroepsgroep van de opleiding verschilt onderling sterk. Daardoor leren leerlingen ook andere theorie in de colleges en klassikale lessen. Tegenwoordig worden ook steeds meer projectgroepen gevormd op opleidingen waarbij leerlingen en studenten een casus of probleem in groepen moeten oplossen. Hierbij kunnen voorbeelden van problemen in de praktijk aan bod komen. Ondanks deze praktijkgerichte benadering blijft men echter grotendeels de opleiding volgen in een school of andere opleidingsinstituut. Een stage is daarom noodzakelijk of in ieder geval heel belangrijk om de leerling daadwerkelijk te laten oefenen om het geleerde toe te passen in de praktijk.

Wat leer je op een stage?
Wat je op een stage leert is afhankelijk van je opleidingsrichting en je opleidingsniveau. Ook de periode dat je de opleiding reeds hebt gevolgd is van invloed. Een leerling die tijdens het eerste jaar van zijn of haar opleiding een stage heeft zal waarschijnlijk een andere soort stage(inhoud) krijgen dan wanneer hij of zij aan het einde van de opleiding een afstudeerstage heeft. Dat heeft te maken met de ontwikkeling die men doormaakt tijdens de opleiding. Op de opleiding leert men steeds meer theorie en vaardigheden aan waardoor men op de stage ook complexere taken kan uitvoeren en zelfstandiger kan werken. Een stage is bedoelt om te leren en niet om te werken. In een verslag of in een beoordelingsformulier kan door een stagebegeleider worden genoteerd welke werkzaamheden de stagiair zelfstandig kan uitvoeren en welke niet. Er kan een waardeoordeel aan de beroepshouding worden gegeven van de stagiair. Daarbij kunnen ook competenties worden beschreven en gewaardeerd.

Welke soorten stages zijn er?
Bovenstaande informatie is algemene informatie over stages. Er zijn echter verschillende soorten stages die men kan houden tijdens een opleiding. Een aantal voorbeelden hiervan zijn een snuffelstage, een meeloopstage en een afstudeerstage. Deze stages hebben een verschillende inhoud. Een snuffelstage is bijvoorbeeld vrij kort. Een meeloopstage is meestal een stage waarbij men met een ervaren werknemer meeloopt om van hem of haar een vak te leren. Een afstudeerstage moet meestal een bepaald niveau hebben om een persoon in staat te stellen om zich zo te ontwikkelen dat hij of zij daadwerkelijk op het gewenste afstudeerniveau komt in de praktijk. Daar is ook een beoordeling aan verbonden.

Wat zijn de voordelen van een werkervaringsplaats voor werknemers?

Een werkervaringsplaats of werkervaringsplek is een tijdelijke werkplek die ter beschikking wordt gesteld door bedrijven. Deze werkplek is bedoelt om werklozen werkervaring op te laten doen. De achtergrond van de doelgroepen voor een werkervaringsplek is divers. Er zijn bijvoorbeeld mensen die langdurig zonder werk zitten en hun vaardigheden in een bepaalde beroepsgroep moeten onderhouden.

Ook zijn er mensen die zich hebben omgeschoold maar geen werkervaring hebben opgedaan in hun nieuwe beroepsgroep. Een andere groep zijn de studenten die vaak hoge opleidingen hebben gevolgd in bijvoorbeeld de psychologie en sociologie. Deze studenten merken soms dat het moeilijk is om werk te vinden als men geen werkervaring heeft in het segment waar men voor gestudeerd heeft. Daarom zijn ook mensen in deze doelgroep regelmatig op zoek naar een werkplek om relevante werkervaring op te doen oftewel een werkervaringsplek.

Voordelen van een werkervaringsplek voor werkzoekenden?
Werken op een werkervaringsplek heeft een aantal voordelen voor de persoon die werk zoekt of werkervaring wil opbouwen. Allereerst is er natuurlijk de kennis die men krijgt op de werkervaringsplek. Bij elk bedrijf leert men weer nieuwe kennis en vaardigheden aan waardoor men een professionele werkhouding ontwikkelt.

Ook wanneer men in het verleden in dezelfde sector heeft gefunctioneerd leert men op een werkervaringsplek vaak moderne technieken aan of past men nieuwe procedures toe. Er wordt dus nieuwe kennis opgedaan. Bovendien leert men op een werkervaringsplek vooral ook de praktijk. Men leert theorie toe te passen in de uitoefening van een functie. Veel opleidingen zijn met name gericht op het aanleren van theoretische aspecten.

Vooral in de techniek hoor je vaak dat de praktijk heel anders is dan school. Op een werkervaringsplek leer je de theorie toe te passen en gereedschappen en werktuigen te hanteren. Dit kunnen ook computerprogramma’s zijn. Naast deze specifieke vaardigheden zijn er ook algemene voordelen die verbonden zijn aan het werken op een werkervaringsplek:

  • Je leert te werken in een bepaald werkritme, dienstrooster.
  • Je bouwt een netwerk op en onderhoud sociale contacten.
  • Je ontwikkelt een werkhouding.
  • Je vult een mogelijk gat op het cv op.
  • Je ontvangt als je het goed doet positieve referenties.
  • Je hebt kans om bij hetzelfde bedrijf aan het werk te blijven op loonbasis.

Wat is verdringing op de arbeidsmarkt?

Verdringing is een term die af en toe wordt genoemd op de arbeidsmarkt. Als men het woord ‘verdringing’ letterlijk gaat omschrijven dan staat het woord voor: wegduwen of wegdrukken. Met verdringing op de arbeidsmarkt doelt met dus op het wegduwen of wegdrukken van arbeidskrachten. Dit maakt op zich nog niet veel duidelijk. Daarom wordt verdringing vaak in één adem genoemd met ‘oneerlijke concurrentie’ op de arbeidsmarkt. Dan begrijpt men vaak wel waar het om gaat. Namelijk dat bepaalde groepen op de arbeidsmarkt op een oneerlijke manier voorrang krijgen op andere werkzoekenden.

Verdringing op de arbeidsmarkt in verschillende vormen
Verdringing kan op verschillende manieren plaatsvinden op de arbeidsmarkt. Over het algemeen gaat het bij verdringing om bepaalde groepen werkzoekenden die doormiddel van subsidies of met behoud van uitkering aan de slag kunnen bij een potentiële werkgever. Doordat deze werkzoekenden voor de werkgever financieel aantrekkelijker zijn krijgen ze vaak voorrang op andere werkzoekenden. Een subsidie of andere kostenbesparing wordt echter niet voor niets verstrekt aan een bedrijf. De werknemer die te werk wordt gesteld moet aan een aantal criteria voldoen. Deze criteria hebben te maken met zijn of haar inzetbaarheid. Deze inzetbaarheid is de optelsom van de volgende factoren:

  • Afstand tot de arbeidsmarkt
  • Scholing
  • Leeftijd
  • Fysieke capaciteit
  • Mentale capaciteit

Als verwacht wordt dat iemand moeilijk aan betaald werk kan komen, zal daarvoor een rapportage worden opgesteld door de gemeente, het UWV of een andere instelling. Uit deze rapportage moet duidelijk naar voren komen dat de kandidaat zonder ondersteuning niet aan werk kan komen. Vaak worden voor deze (re-integratie) kandidaten speciale trajecten uitgestippeld. Die trajecten zijn meestal maatwerk en kunnen opleidingen bevatten en/of stages en werkervaringsplekken. Daarnaast wordt van mensen die geruime tijd in een uitkering positie zitten vaak ook een tegenprestatie verwacht in de vorm van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering.

Stages werkervaringsplekken en tegenprestaties
Doordat aan stages, werkervaringsplekken en vrijwilligerswerk vrijwel geen kosten kleven voor werkgevers zijn ‘werknemers’ in deze trajecten zeer aantrekkelijk. Ze kunnen namelijk wel een bepaalde productie of prestatie leveren zonder dat het bedrijf daar financieel wat tegenover hoeft te stellen. Bedrijven die tijdelijk een piek hebben in een productie kunnen daar op verschillende manieren mee omgaan. Over het algemeen lenen ze flexkrachten in maar ze kunnen ook werknemers ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’ een werkervaring plek bieden. Als ze voor de laatste optie gaan kunnen ze dat doen vanuit moreel goede overwegingen maar de keuze kan ook gemaakt worden op basis van kostenbesparing en bedrijfseconomische overwegingen. Dit laatste is niet de bedoeling van de overheid die de subsidiemogelijkheden biedt en wordt misbruik van de wet en regelgeving genoemd.

Daarnaast is ook de inzet van vrijwilligers die werken met behoud van uitkering vaak discutabel. Door vrijwilligers in te zetten die op basis van een uitkering werken zorgen bedrijven er voor dat hun kosten worden gereduceerd. Voor de overheid nemen de kosten echter niet af omdat de kracht werkt met behoud van uitkering. De overheid wil daarom weten hoe lang de desbetreffende kracht in een uitkeringspositie blijft. Van bedrijven verlangd de overheid dat er een intentie is om de kracht in dienst te nemen na een bepaalde periode van proefplaatsing. Vrijwilligerswerk kan soms nog langer duren dan de 1 tot 2 maanden die gebruikelijk zijn voor een proefplaatsing.

Oneerlijke concurrentie en verdringing
Door subsidies en andere mogelijkheden om werknemers uit bepaalde doelgroepen aan het werk te helpen, kunnen vaak andere (reguliere) werkzoekenden hinder ondervinden bij het vinden van werk. Vooral laag opgeleide werkzoekenden merken hinder van werknemers die met speciale kostenbesparende trajecten aan het werk worden geholpen. De oneerlijke concurrentie zorgt er voor dat de maatregelen van de overheid juist averechts werken. Daarom probeert de overheid door controles en strenge regelgeving de oneerlijke concurrentie en verdringing tegen te gaan. Dit is in de praktijk minder eenvoudig dan het in de theorie lijkt.

Wat is beroepsonderwijs en wat zijn de kenmerken van beroepsonderwijs?

Beroepsonderwijs is een onderwijsvorm die gericht is op de praktische en theoretische voorbereiding met betrekking tot de uitoefening van een beroep in de praktijk. Er zijn in Nederland een aantal wetten van toepassing op het beroepsonderwijs. Dit zijn de volgende wetten:

  • De Wet educatie en beroepsonderwijs
  • De Wet educatie en beroepsonderwijs BES
  • De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)

Voor verschillende beroepen is in Nederland beroepskwalificerende opleiding vereist of gewenst. Het beroepsonderwijs kan er voor zorgen dat leerlingen en studenten een beroep leren. Dit is echter niet de enige taak van beroepsonderwijs. Het beroepsonderwijs is er op ook gericht om haar studenten en leerlingen te ondersteunen op het gebied van persoonlijke ontplooiing en het succesvol functioneren van de leerlingen en studenten in de praktijk.

VBO en VMBO
Het beroeps onderwijs is een onderwijsvorm die al lang in Nederland wordt toegepast als educatievorm. In het verleden had men bijvoorbeeld het Voorbereidend Beroepsonderwijs (vo). Dit was na de Basisschool het voortgezet onderwijs waar leerlingen een beroep konden leren in bijvoorbeeld de verzorging, metaal, hout, schilderen en de administratie. Later werden in 1999 VMBO-scholen opgericht. Deze scholen ontstonden uit een samenvoeging van de mavo en het vbo. De afkorting VMBO staat voor Voorbereidend Middelbaar Beroeps Onderwijs. VMBO scholen bevatten opleidingen op vier verschillende niveaus of leerwegen. Deze leerwegen zijn de volgende:

  • Basisberoepsgerichte leerweg (BB)
  • Kaderberoepsgerichte leerweg (KB)
  • Gemengde leerweg (GL)
  • Theoretische leerweg (TL)

Aansluiting opleiding in beroepsopleidingen
De doelstelling van het opleidingsbeleid in Nederland is gericht op het zo zorgvuldig mogelijk laten aansluiten van opleidingen van een lager niveau naar een hoger opleidingsniveau. Het VMBO bevat vier verschillende niveaus of leerwegen. Deze leerwegen dienen aan te sluiten op het opleidingsaanbod van het Middelbaar Beroeps Onderwijs oftewel het mbo. Ook het mbo kent niveauverschillen. Dit zijn der volgende:

  • niveau 1: assistent beroepsbeoefenaar (geen startkwalificatie)
  • niveau 2: medewerker / basisberoepsbeoefenaar
  • niveau 3: zelfstandig medewerker / zelfstandig beroepsbeoefenaar / vakopleiding
  • niveau 4: middenkaderfunctionaris / gespecialiseerd beroepsbeoefenaar. Dit niveau geeft toegang tot hbo.

Hierboven is aangegeven op welk niveau afgestudeerde mbo leerlingen in de praktijk kunnen uitstromen naar een baan. Na het mbo kunnen leerlingen nog doorstuderen naar het HBO oftewel het Hoger Beroeps Onderwijs. HBO hoort tot het hoger onderwijs net zoals het wetenschappelijk onderwijs WO. Iemand die een opleiding heeft gedaan op hbo of WO heeft in een bepaalde beroepsgroep het hoogst haalbare opleidingsniveau behaald. Deze afgestudeerden kunnen worden ingezet in een (junior) functie in het management, op een staffunctie of in de werkvoorbereiding en enginering binnen een bepaalde beroepsgroep.

Verschillende niveaus in beroepsopleidingen
Uit bovenstaande alinea’s blijkt dat er verschillende niveaus bestaan in beroepsopleidingen in Nederland. De opbouw in niveaus begint bij de basisberoepsgerichte leerweg van het VMBO. Daarna kunnen leerlingen doorstuderen naar het middelbaar beroepsonderwijs en tot slot kan men ook een opleiding volgen op het hoger beroepsonderwijs.

Verschillende richtingen in beroepsopleidingen in de techniek
Beroepsleidingen kunnen in verschillende richtingen worden gevolgd. Het is belangrijk dat een weloverwogen keuze wordt gemaakt door de leerling of student. Het kiezen van een opleidingsrichting begint tegenwoordig al vanaf de basisschool. Op het vmbo geven leerlingen al gestalte aan hun beroepskeuze. Daarna gaan ze verder op het mbo. Als men al jong kiest voor de metaalsector is het belangrijk dat men deze opleidingsrichting aanhoudt en zich verder gaat specialiseren naarmate men een beroepsopleiding op een hoger niveau gaat volgen.

Het aantal opleidingsrichtingen in het beroepsonderwijs is enorm. Daarom hebben leerlingen vaak ondersteuning nodig bij het kiezen van de juiste opleiding. Bij veel opleidingen hebben leerlingen niet of nauwelijks een beeldvorming en daar moet aan gewerkt worden door bijvoorbeeld decanen en loopbaanbegeleiders. Vanuit de regering komen langzamerhand opmerkingen dat het beroepsonderwijs transparanter moet worden.

Het keuze aanbod moet worden beperkt en er moet eenduidigheid komen in de benaming van opleidingen. Daarnaast willen sommige instanties ook weer terug naar de oude leerling-gezel methode waarbij een leerling het vak of beroep leert van een ervaren iemand in een bepaald beroepsgroep. Beroepsonderwijs blijft in ontwikkeling in Nederland.

Wat doet de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven SBB?

De stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven SBB is sinds 1 januari 2012 actief. Deze stichting verbindt het georganiseerd bedrijfsleven en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). De vereniging van 17 kenniscentra is overgegaan naar het SBB. Hierdoor is het SBB een belangrijk kennisbaken tussen bedrijven en mbo opleidingen. Het bedrijfsleven en het mbo werken nauw met elkaar samen. Dit is belangrijk omdat bedrijven goed personeel willen hebben die over voldoende kennis beschikt voor de uitvoering van de taken. Mbo opleidingen moeten er voor zorgen dat de studenten de gewenste kennis en vaardigheden aanleren. Er zijn in Nederland bijna 70 onderwijs-instellingen, dit zijn aoc’s, roc’s en vakscholen. Daarnaast zijn er in Nederland meer dan 200.000 erkende leerbedrijven. Al deze instanties leiden mbo’ers op tot vakkrachten.

Eisen aan opleidingen veranderen
De eisen aan personeel veranderen voortdurend. In bijvoorbeeld de techniek en ICT zijn er veel technische ontwikkelingen die er voor zorgen dat studenten nieuwe vaardigheden en kennis nodig hebben om effectief in de praktijk te kunnen werken. Bedrijven stellen door deze ontwikkelingen voortdurend hun eisen bij in de vraag naar personeel. Opleidingen moeten er voor zorgen dat met de eisen uit het bedrijfsleven rekening wordt gehouden. Daarom passen opleidingen regelmatig hun lesstof aan zodat leerlingen waardevolle diploma’s krijgen voor de arbeidsmarkt. Daarnaast moeten opleidingen ook goed op elkaar aansluiten. Zo moeten leerlingen met een vmbo opleiding een goede aansluiting hebben op de lesstof van een mbo opleiding. Studenten met een mbo opleiding op zak moeten vervolgens weer goede aansluiting hebben met hbo opleidingen indien ze door willen leren. Het SBB houdt zich bezig met deze aansluiting en adviseert de minister van OCW.

Wat doet het SBB?
De SBB voert verschillende taken uit. Zo maakt deze stichting afspraken over de inhoud van opleidingen. In kwalificatiedossiers worden de wensen van de arbeidsmarkt vastgelegd. Met deze kwalificatiedossiers kunnen scholen een goed beeld vormen over de arbeidsmarkt en studenten goed adviseren over hun loopbaanmogelijkheden. Scholen kunnen eveneens met deze dossiers bekijken of de lesstof goed aansluit op de ontwikkelingen in de arbeidsmarkt. In de dossiers staan afspraken tussen het onderwijs en het bedrijfsleven over de examinering. De belangrijkste doelstelling van de samenwerking binnen het SBB is het ontwikkelen van een doelmatig  opleidingsaanbod.

Beroepspraktijkvorming
In een mbo opleiding moet een student ook vaardigheden aanleren voor de praktijk. Deze praktijkervaring kan een student opdoen in een stage of leerbaan. Een stage bij een bedrijf in de praktijk zorgt er voor dat een student werkt aan zijn of haar ‘beroepspraktijkvorming’. De beroepspraktijkvorming is zeer belangrijk. Door de SBB worden afspraken gemaakt over de beroepspraktijkvorming. Deze afspraken zijn geldig voor een hele bedrijfstak waarop de beroepspraktijkvorming is gericht. Er is bijvoorbeeld een beroepspraktijkvorming voor de bouw, metaal of zorg.

Door de school, de student en het leerbedrijf worden afspraken gemaakt over de taken en verantwoordelijkheden die de student, de school en het leerbedrijf hebben tijdens de stage. Deze individuele afspraken zijn afgestemd op de landelijk afspraken die zijn opgenomen in de beroepspraktijkvorming van de desbetreffende sector.

SBB  en de toekomst
De samenwerking binnen de SBB zorgt er voor dat bedrijven meer invloed krijgen op de kwaliteit en lesstof van opleidingen. Bedrijven krijgen meer verantwoordelijkheid bij het opleiden van mbo-ers. Door de grotere invloed van bedrijven sluit de inhoud en de omvang van het onderwijsaanbod in Nederland in de toekomst nog beter aan bij de behoeften van het bedrijfsleven. Hierdoor krijgen mbo-leerlingen een waardevoller diploma en zullen ze in een functie meer herkennen van hun lesstof.

Onderwijsinstellingen krijgen meer zeggenschap over de kwalificatiedossiers. Door deze wederzijdse invloed zijn de wensen en mogelijkheden van het onderwijs goed afgestemd op de wensen van het bedrijfsleven.

SBB en afstemming
In de alinea’s hierboven komt duidelijk naar voren dat de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven vooral gericht is op onderlinge afstemming tussen de wensen en mogelijkheden van scholen en bedrijven. Scholen zullen intensief met elkaar moeten samenwerken. Communicatie is hierbij van groot belang. Ook hierin heeft de stichting SBB een belangrijke rol.

Wat is een traineeship en waarvoor zijn traineeships bedoelt?

Verschillende bedrijven bieden traineeships aan. Een bekend voorbeeld hiervan zijn de management traineeships die door bedrijven worden aangeboden. Een traineeship is een traject dat bestaat uit een inwerkprogramma en een opleidingsprogramma. Door een optimale samenhang tussen deze onderdelen van het traineeship wordt de trainee getraind in de werkzaamheden en functie die hij of zij in de toekomst zal uitoefenen. Sommige bedrijven gebruiken traineeships specifiek om afgestudeerde starters intern op te leiden naar het gewenste niveau. Daarnaast zijn er bedrijven die traineeships aanbieden voor mensen met beperkte werkervaring maar die deze werkervaring wel in de gewenste richting hebben opgedaan.

Wat is een traineeship precies?
Een traineeship wordt door een bedrijf aangeboden aan toekomstig werknemers. Het traineeship bestaat uit een traineeprogramma waarmee de trainee door het bedrijf wordt begeleid en gestuurd. Hierbij is een combinatie van werken en leren aanwezig. De investering wordt door het bedrijf gedaan op het gebied van opleiding en de bijbehorende kosten. De trainee zal echter wel zijn of haar best moeten doen om het traineeship succesvol af te ronden. De trainee leert over het algemeen op het werk zelf dit wordt ook wel ‘learning on the job’ genoemd. Dit kost een bedrijf uiteraard capaciteit. De trainee leert van zijn of haar collega’s. Deze zullen de trainee ondersteunen waardoor ze een deel van hun eigen werk niet kunnen uitvoeren.

Daarnaast bestaan de meeste traineeships ook uit oriëntatieprogramma’s, cursussen en trainingen die intern of extern worden gehouden. Hierbij kan onder andere gebruik worden gemaakt van collegezalen of praktijksimulaties met rollenspellen. Trainees kunnen tijdens deze rollenspellen en bijeenkomsten over het algemeen met andere trainees in contact komen waardoor ze ervaringen kunnen delen.

De duur van traineeships verschilt. Sommige werkgevers hebben traineeships van anderhalf jaar terwijl andere bedrijven traineeships hebben van drie jaar of langer. Ook de vorm en inhoud van traineeships verschilt tussen bedrijven. Dit heeft ook voor een belangrijk deel te maken met de sector van het bedrijf en de functiegroep waar het traineeship op is gericht.

Verschil tussen traineeship en stage
Een traineeship is niet hetzelfde als een stage. Meestal heeft iemand die deelneemt aan een traineeship zijn of haar opleiding al afgerond. Tijdens het traineeship zal de trainee intern worden opgeleid in de cultuur en de werkwijze van het bedrijf waar het traineeship wordt gehouden. Daarnaast krijgt de trainee tijdens het traineeship een passende beloning in de vorm van salaris. Dit gebeurd over het algemeen niet bij stages. Daarnaast is er ook geen extern opleidingsinstituut waaraan het bedrijf de resultaten moet rapporteren. Bij een traineeship heeft het bedrijf meer de controle over de resultaten van de trainee. Er kunnen wel externe opleidingsinstanties worden ingeschakeld maar deze zullen handelen in opdracht van het bedrijf dat het traineeship aanbied. Het bedrijf bepaald dus in belangrijke mate de inhoud van het traineeship. Dit is niet het geval bij stages waarbij vooral de opleider de inhoud van de stage en de stage opdrachten bepaald.

In aanmerking komen voor een traineeship
Het initiatief voor een traineeship ligt zowel bij het bedrijf als bij de werkzoekende. Bedrijven willen gemotiveerde trainees in dienst nemen die over voldoende niveau beschikken. Niet iedereen kan bij elk bedrijf voor een traineeship in aanmerking komen. Vaak moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan op het gebied van opleidingsniveau, opleidingsrichting en competenties. Bedrijven werven en selecteren trainees met het oog op de werkzaamheden die de trainee in de toekomst zal uitvoeren binnen een bedrijf. Daardoor wordt veel aandacht besteed aan de sollicitatieprocedure. Trainees krijgen tijdens de sollicitatieprocedure te maken met verschillende gesprekken en testen. De selectieprocedure kan onder andere intelligentietesten bevatten en verschillende assessments. Een zorgvuldige selectie is belangrijk omdat het bedrijf er zeker van wil zijn dat geschikte kandidaten worden aangenomen voor traineeships. Een bedrijf zal namelijk veel geld in de trainee moeten investeren om deze op het gewenste (management) niveau te brengen.

Recruitment en trainees
Er zijn grote bedrijven die een corporate recruitment afdeling hebben die voor het bedrijf op zoek kan gaan naar trainees voor bepaalde functies. Daarnaast zijn er bedrijven die recruitment uitbesteden aan andere bedrijven die hierin zijn gespecialiseerd. De meeste recruiters zijn gespecialiseerd in bepaalde sectoren. Hierdoor zijn recruitment bureaus in de zorg en de financiële dienstverlening ontstaan. Daarnaast zijn er bureaus die zich richten op technisch recruitment. Een technisch recruitmentbureau kan voor een bedrijf op zoek gaan naar trainees met een hogere technische opleiding. Dit kunnen bijvoorbeeld ingenieurs zijn in verschillende technische beroepsrichtingen zoals bijvoorbeeld bouwkunde, werktuigbouwkunde, elektrotechniek en civiele techniek.