Wat zijn stichtingskosten?

Stichtingskosten worden ook wel investeringskosten genoemd en is een verzamelnaam van de totale som aan kosten die betaald moeten worden voor het oprichten oftewel het stichten van een woning, utiliteitscomplex of andere bouwproject.

Wat valt er onder stichtingskosten?
De stichtingskosten krijgt men in kaart door alle kosten die worden gemaakt voor de bouw van een woning of ander gebouw op te tellen. Daarbij kijkt men niet alleen naar het gebouw zelf maar ook naar de aanschaf van de grond oftewel het bouwkavel. Verder wordt ook het meerwerk in de berekening meegenomen. Onder de stichtingskosten vallen de volgende aspecten:

  • aankoop van de bouwkavel;
  • kosten voor tekenen en ontwerp;
  • advieskosten;
  • bouwkosten;
  • leges;
  • rentekosten;
  • onvoorziene posten;
  • meerwerk.

Inzicht in stichtingskosten
Het is voor een opdrachtgever van een bouwproject belangrijk om een duidelijk beeld te krijgen van de stichtingskosten omdat de opdrachtgever op basis daarvan een inschatting kan maken of hij of zij voldoende budget beschikbaar heeft voor het beoogde bouwproject. De stichtingskosten geven inzicht in alle factoren die het project financieel kunnen beïnvloeden. Dat maakt duidelijk aan welke bouwaspecten het meeste geld wordt besteed. Stichtingskosten is echter een ander begrip van bouwkosten. Daarover lees je in de volgende alinea meer.

Stichtingskosten of bouwkosten
Onder stichtingskosten verstaat men wel wat anders dan bouwkosten. Stichtingskosten en bouwkosten zijn daardoor geen synoniemen van elkaar. Bouwkosten zijn alle kosten die nodig zijn om een gebouw daadwerkelijk te bouwen. Dit gebeurd eventueel met behulp van bestek en technische tekeningen. De bouwkosten kunnen op verschillende momenten worden bepaald en zijn afhankelijk van het stadium waarin het project zich bevindt. De kosten van het bouwkavel hoeven hier dus niet bij in te zitten evenals de leges, de rentekosten enzovoort. De stichtingskosten vormen daardoor een totaalbeeld van de kosten van een bouwproject. Onder de stichtingskosten vallen ook de bouwkosten.

Aandachtspunten bij arbeidsovereenkomsten

In Nederland worden dagelijks arbeidsovereenkomsten gesloten tussen werkgevers en werknemers. Voorafgaand aan het daadwerkelijk sluiten van een arbeidsovereenkomst wordt vaak eerst een zoektocht uitgevoerd naar een geschikte kandidaat. Dit wordt ook wel een wervingsprocedure genoemd en kan worden uitgevoerd door de werkgever zelf, een headhuntersbureau, een werving en selectiebureau of een uitzendbureau. Welke constructie het bedrijf ook kiest uiteindelijk is het de bedoeling dat de juiste kandidaat wordt geselecteerd voor de functie. Als dat gedaan is kan een arbeidsovereenkomst met de werknemer worden aangegaan. In onderstaande alinea’s heeft Tjerk van der Meij in het kort uitgelegd welke aspecten aan de orde komen bij het sluiten van een arbeidsovereenkomst.

Het sluiten van arbeidsovereenkomsten
Een bedrijf zal na een periode van werving en selectie als het goed is de juiste kandidaat hebben gevonden. Althans in ieder geval een kandidaat die geschikt genoeg is om de functie van de vacature te bekleden. Na het opstellen van de arbeidsovereenkomst kan de werknemer starten met zijn of haar werkzaamheden. Het opstellen van de arbeidsovereenkomst is de laatste stap in het aan nemen van de nieuwe werknemer.

Voorafgaand aan het opstellen van de arbeidsovereenkomst vindt een arbeidsvoorwaarden gesprek plaats waarin onder andere het salaris, vakantie dagen, werkuren en andere arbeidsvoorwaarden worden besproken. Na afloop van dit gesprek staat zwart op wit dat de werknemer arbeid verricht in ruil voor een bepaald loon. In de arbeidsovereenkomst wordt de werknemer verplicht gesteld aan arbeid die hij of zij zelf moet doen. Bij een arbeidsovereenkomst is het dus een vereiste dat de werknemer zijn werk niet mag laten doen door een andere persoon. Als dat het geval is zal er sprake zijn van een opdrachtovereenkomst of een aannemersovereenkomst.

De andere partij, de werkgever, wordt verplicht gesteld om loon te geven in ruil voor deze arbeid. Een derde vereiste of voorwaarde van een arbeidsovereenkomst is dat er sprake moet zijn in de arbeidsovereenkomst van een gezagsverhouding. Dus een verhouding waarin de werkgever boven de werknemer staat, waarin de werknemer verplicht is de opdrachten van de werkgever uit te voeren indien dit redelijkerwijs van de werknemer kan worden verwacht. Uiteindelijk bestaat de overeenkomst uit de onderwerpen die zijn besproken in het arbeidsvoorwaardengesprek.

Gegevensbeheer en wetgeving
Er zijn een aantal regels en wetten voor de werkgever als het op arbeidsovereenkomsten aankomt. Waar onder ander in staat dat de werkgever de arbeidsovereenkomst opslaat in zijn gegevensbeheer. Andere regels met betrekking tot de arbeidsovereenkomsten zijn wettelijk bepaald. Voornamelijk in het burgerlijk wetboek is veel vastgelegd over de proeftijd, vakantie en zaken met betrekking tot de CAO. Andere geregelde zaken zijn de wet minimumloon en vakantiebijslag, wet gelijke behandeling en buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen, waarin voornamelijk wordt gesproken over de regels van ontslag.  Van de werkgever wordt vereist een aantal gegevens duidelijk in de overeenkomst op te nemen, bijvoorbeeld: de arbeidsduur, de cao, eventuele proeftijd, de functie van de werknemer, datum waarop werknemer begint, enz.

VIL VCU intercedent

VIL VCU is een speciale opleiding die intercedenten van een VCU gecertificeerd uitzendbureau zullen moeten volgen om hun werkzaamheden bij dit gecertificeerde uitzendbureau te mogen uitvoeren indien dit bureau haar VCU certificering wenst te behouden. De afkorting VIL VCU en VCU houden verband met de afkorting VCA. Dit is een algemeen bekend veiligheidscertificaat waarbij aannemers op de bouw aangesloten kunnen zijn. Naast aannemers zijn ook verschillende andere technische bedrijven aangesloten bij de VCA certificering.

Dit heeft er voor gezorgd dat ook uitzendbureaus en andere intermediairs een VCU certificering moesten ondergaan om de VCA gecertificeerde opdrachtgevers zo goed mogelijk van dienst te zijn in de zoektocht naar VCA gecertificeerde vakkrachten. Daarvoor is echter VIL VCU gecertificeerd intern personeel nodig zoals intercedenten en leidinggevenden. Nu zijn in deze alinea verschillende afkortingen benoemd. Deze aan VCA gerelateerde afkortingen zijn in de volgende alinea’s nader omschreven. Het wordt in deze alinea’s duidelijk dat het VIL VCU dat door een intercedent van bijvoorbeeld een technisch uitzendbureau behaald moet worden niet zomaar een certificaat is. Er zit een heel VCA systeem achter deze certificering.

Wat is VCA?
Laten we beginnen met VCA, dit is het certificaat waar het in feite allemaal om draait. De afkorting VCA staat voor VGM Checklist Aannemers. Deze omschrijving bevat echter ook weer een afkorting ‘VGM’. De letters VGM worden voluit geschreven met de woorden: Veiligheid, Gezondheid en Milieu. Dit zijn een aantal kernbegrippen die een grote rol spelen in de bouwsector en de techniek. Daardoor leggen steeds meer bedrijven de nadruk op deze begrippen en proberen ze deze in hun bedrijfsvoering te implementeren. De termen veiligheid en gezondheid zijn vooral gericht op de werknemers en alle andere personen die op de werkplek aanwezig zijn.

Het feit dat VCA specifiek aandacht besteed aan het beschermen van de veiligheid van alle personen op de werkplek maakt duidelijk dat de VCA certificering rechtstreeks in lijn is met de Arbowetgeving die in Nederland is vastgelegd in de Arbeidsomstandighedenwet die ook wel de Arbowet wordt genoemd. VCA is echter nog breder dan wat deze wetgeving vereist. Binnen het VCA worden namelijk wetten en regels omtrent veilig en gezond werken veel nauwer omschreven dan in de Arbowet gebeurd. De Arbowet is echter een kaderwet. Overigens is VCA geen wettelijke verplichting en ook geen wettelijk voorschrift. Wel is het VCA een effectieve Veiligheid, Gezondheid en Milieu Checklist voor Aannemers. Men zou het VCA dus kunnen beschouwen als een belangrijke ondersteuning op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu voor bedrijven met verhoogde veiligheids- en gezondheidsrisico’s.

VCA voor bedrijven
Het is voor de duidelijkheid belangrijk om te vermelden dat zowel bedrijven als werknemers VCA gecertificeerd kunnen zijn. Voor bedrijven bestaan er verschillende VCA-bedrijfscertificaten namelijk

  • VCA * (één ster),
  • VCA ** (twee sterren)
  • VCA Petrochemie.

De indeling van een bedrijf in bovengenoemde VCA categorie maakt duidelijk welke veiligheidsaspecten bij een bedrijf aan de orde zijn. Deze houden ook verband met de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) die binnen het bedrijf is uitgevoerd in het kader van de Arbowet.

VCA voor werknemers
Veiligheid is een aspect van het werk dat zo breed mogelijk gedragen moet worden binnen een bedrijf en op de werkvloer. Hoe beter iedereen op de hoogte is van de veiligheidsvoorschriften hoe veiliger de werkplek wordt. Veiligheid draait namelijk voor een groot deel om bewustwording van de gevaren op de werkplek en het toepassen van bronmaatregelen en beheersmaatregelen om de risico’s op de werkplek te elimineren, te verwijderen of te beperken. Daarvoor is uiteraard medewerking nodig van personeel. Het personeel moet daarom net als het bedrijf VCA gecertificeerd worden. Dit houdt in dat het personeel VCA gecertificeerd moet worden.

Daarbij wordt echter onderscheid gemaakt tussen VCA voor operationeel leidinggevenden en VCA voor uitvoerende werknemers. Voor operationeel leidinggevenden is het VCA VOL certificaat ingevoerd, hierbij staan de letters VOL voor Veiligheid voor Operationeel Leidinggevenden. Voor uitvoerende werknemers in een uitvoerende functie is VCA basis voldoende. Het verschil tussen VCA VOL en Basis VCA zit in het feit dat bij VCA VOL veel meer aandacht wordt besteed aan het aansturen van personeel op het gebied van veiligheid en gezondheid. VCA Basis is meer gericht op het opvolgen van veiligheidsinstructies.

Wat is VCU?
Vanuit de VCA certificering zijn verschillende andere certificeringen voort gekomen. Het VCU is hiervan een bekend voorbeeld. Waar de afkorting VCU voor staat laat zich raden aangezien dit een certificaat is voor uitzendondernemingen. Deze afkorting staat namelijk voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Niet elk uitzendbureau in Nederland is een VCU uitzendonderneming alleen de uitzendbureaus die gecertificeerd zijn voor de Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties behoren tot de VCU uitzendbureaus. Van deze uitzendbureaus kunnen VCA gecertificeerde bedrijven verwachten dat de intercedenten en leidinggevenden extra aandacht besteden aan de wettelijke doorgeleidingsplicht die uitzendbureaus hebben op het gebied van veilig en gezond werken.

In deze doorgeleidingsplicht wordt extra aandacht besteed aan de risico’s die naar voren zijn gekomen uit de Risico Inventarisatie en Evaluatie van de opdrachtgever. De meeste VCA gecertificeerde opdrachtgevers eisen ook dat het uitzendpersoneel oftewel de uitzendkrachten van een VCU gecertificeerde uitzendonderneming in bezit zijn van een geldig VCA certificaat. Dit kan een Basis VCA certificaat zijn maar ook een VCA VOL indien de uitzendkracht in zijn of haar werkzaamheden belast zal worden met leidinggevende taken en verantwoordelijkheid voor ander (uitzend) personeel.

Wat is VIL VCU?
VIL VCU is weer afgeleid van VCU. Waar de letters VCU voor staan is reeds duidelijk gemaakt in de vorige alinea. De letters VIL staan voor Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden in dit verband gaat het dan om het interne personeel van een uitzendbureau. Dit zijn de werknemers van het uitzendbureau die daadwerkelijk de VCA gecertificeerde opdrachtgevers te woord staan en die uitzendkrachten voor deze bedrijven werven en selecteren. Tijdens het werven en selecteren zullen de intercedenten en hun leidinggevenden daadwerkelijk ook de veiligheidsrichtlijnen vanuit het VCA moeten hanteren. Daarnaast moeten deze intercedenten net als alle intercedenten hun doorgeleidingsplicht met betrekking tot werkzaamheden en veiligheidsaspecten waarmee uitzendkrachten te maken krijgen uitvoeren. Het VIL VCU is een persoonsgebonden certificaat net als VCA Basis en VVCA VOL.

Geldigheid VCA en VIL VCU
De persoonsgebonden VCA certificaten VCA Basis, VCA VOL en VIL VCU zijn tien jaar geldig. Daarna zal de werknemer, leidinggevende, uitzendkracht, intercedent of leidinggevende van het uitzendbureau het bijbehorende certificaat opnieuw moeten behalen.

Wat zijn VCU gecertificeerde uitzendbureaus?

VCU gecertificeerde uitzendbureaus zijn uitzendondernemingen die gecertificeerd zijn op het gebied van veiligheid en gezondheid voor uitzendorganisaties en kunnen als toeleverancier dienen van tijdelijk personeel voor opdrachtgevers die VCA gecertificeerd zijn. VCU staat voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. De letters VCA staan voor VGM Checklist voor Aannemers, waarbij VGM staat voor Veiligheid, Gezondheid en Milieu. Een hoop afkortingen die duidelijk maken dat het veiligheidsaspect en gezondheidsaspect centraal staan in zowel de VCA certificering als de VCU certificering.

VCA en VCU
De VCA certificering is echter voor aannemers bestemd en de VCU certificering voor uitzendbureaus en andere intermediairs die personeel beschikbaar stellen aan andere bedrijven. Deze uitzendondernemingen of intermediairs vallen onder de WAADI oftewel de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Omdat intermediairs wel de feitelijke werkgever zijn van uitzendkrachten en andere uitleenkrachten maar niet belast zijn met het dagelijkse toezicht op deze flexkrachten heeft de overheid voor deze ondernemingen specifieke richtlijnen opgesteld met betrekking tot de veiligheid en gezondheid voor deze groep werknemers. Deze richtlijnen zijn terug te vinden in de WAADI en in Artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. Omdat deze wetsartikelen van groot belang zijn voor zowel het VCA als het VCU worden ze in de volgende alinea’s behandeld.

VCU en Artikel 11 WAADI
De VCU heeft veel te maken met Artikel 11 van de WAADI. De WAADI is een wet die voluit wordt geschreven als Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Dit betekend dat deze wet gericht is op ondernemingen die werknemers beschikbaar stellen aan opdrachtgevers die als inleners functioneren in de arbeidsbemiddelingsproces. De uitzendbureaus en andere intermediairs die personeel bemiddelen bij opdrachtgevers zijn de feitelijke werkgevers van deze personeelsleden. Deze ondernemingen die personeel uitlenen hebben dit personeel op de loonlijst staan.

Dat zorgt voor een aantal verantwoordelijkheden. Omdat deze feitelijke werkgevers in de dagelijkse praktijk de werknemers niet instrueren op de werkplek en geen toezicht hebben op deze werkplek moeten deze uitzendbureaus hun uitzendkrachten en gedetacheerden voor de aanvang van de uitzendwerkzaamheden goed instrueren op het gebied van veiligheid, gezondheid en de inhoud en aard van het werk. Dit wordt ook wel de doorgeleidingsplicht genoemd. Deze doorgeleidingsplicht is vastgelegd in Artikel 11 van de WAADI.

In Artikel 11 van de WAADI is door de overheid vastgelegd dat de organisatie die de arbeidskrachten ter beschikking stelt informatie moet verschaffen aan deze arbeidskrachten met betrekking tot de beroepskwalificatie die door de opdrachtgever wordt verlangd. Daarnaast wordt in Artikel 11 van de WAADI ook gerefereerd aan Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. Daarover wordt in de volgende alinea meer informatie gegeven. Het VCU certificaat maakt duidelijk dat de informatie waarover Artikel 11 van de WAADI gaat meer is dan alleen de beroepskwalificatie. Het gaat ook om veiligheidsvoorschriften, de aanwezige risico’s en de beheersmaatregelen die genomen dienen te worden door de uitzendkracht met betrekking tot deze risico’s. Daarbij komt het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen aan de orde maar ook het naleven van speciale veiligheidsvoorschriften. Verder controleert het uitzendbureau ook of de uitzendkracht in bezit is van een geldig VCA certificaat want dit wordt (vrijwel) altijd geëist door een opdrachtgever die zelf VCA gecertificeerd is. De opdrachtgever is zelf ook wettelijk verplicht om informatie te verschaffen aan de uitzendonderneming. Dit is bepaald in Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet.

VCU en Artikel 5 lid 5 Arbeidsomstandighedenwet
De Arbeidsomstandighedenwet wordt ook wel Arbowet genoemd en is een Nederlandse wet die gericht is op het optimaliseren van de arbeidsomstandigheden binnen bedrijven en het beschermen van de gezondheid en veiligheid van werknemers. De werkgever is in eerste instantie verantwoordelijk voor het bieden van een zo veilig mogelijke werkplek voor de werknemer. Daarvoor moet een bedrijf de risico’s, die op de werkplek aanwezig (kunnen) zijn, inventariseren doormiddel van een Risico Inventarisatie en Evaluatie. Uit dit RI&E komt een inventarisatie van de risico’s naar voren. Daarnaast vormt het plan van aanpak voor de geïnventariseerde risico’s ook een wezenlijk onderdeel van het RI&E.

In dit plan van aanpak omschrijft een bedrijf hoe het de risico’s op de werkplek wil verwijderen (bronbestrijding) of beperken. Ook beheersmaatregelen zijn hierbij een belangrijk aspect. Het beheersen van risico’s kan onder andere door het duidelijk instrueren van werknemers op het gebied van veiligheid. De werkgever die personeel inleent is echter niet alleen verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid voor zijn of haar eigen werknemers. Ook de veiligheid en gezondheid van de ingeleende werknemers valt onder de verantwoordelijkheid van de inlener. Daarom moet de inlener ook deze werknemers instrueren op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu. Daarnaast moeten de ingeleende werknemers ook duidelijke instructies ontvangen met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden. In deze instructies moet onder andere aandacht worden besteed aan de manier waarop machines, gereedschappen en werktuigen dienen te worden gebruikt en welke veiligheidsvoorzieningen daarbij in acht worden genomen.

Een uitzendonderneming dient de hierboven genoemde informatie ook aan de uitzendkracht te verstrekken. Deze informatie kan de uitzendkracht echter alleen ontvangen van de inlener. Daarom heeft de inlener conform artikel 5 lid 5 Arbeidsomstandighedenwet de verplichting om voor de aanvang van de werkzaamheden de uitlener of uitzendbureau op de hoogte te brengen van:

  • De gevaren en risico’s op de werkvloer die uit de Risico Inventarisatie en Evaluatie naar voren komen.
  • De manier waarop de werkgever deze risico’s bestrijd.
  • De verwachtingen die de werkgever op dit gebied heeft van de werknemer/inleenleenkracht.
  • Eventuele bijzondere aspecten omtrent de risico’s waar de werknemer/inleenkracht rekening moet houden bijvoorbeeld aanmelden en afmelden op de werkplek.
  • De benodigde veiligheidsopleidingen, veiligheidstraingen en aanverwante cursussen waarover de werknemer moet beschikken om zijn of haar werk veilig te kunnen uitvoeren. Denk hierbij aan VCA, Veilig Hijsen en Veilig werken met een vorkheftruck.

Deze informatie moet door de (potentiële) inlener worden verstrekt aan de uitzendonderneming zodat deze kan voldoen aan de doorgeleidingsplicht welke is benoemd in Artikel 11 van de WAADI. VCU gecertificeerde uitzendbureaus leven uiteraard de doorgeleidingsplicht na in de volgende alinea wordt hier dieper op ingegaan.

Wat kan je van een VCU gecertificeerd uitzendbureau verwachten?
Een VCU gecertificeerd uitzendbureau is een uitzendbureau die voldoet aan de Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Deze uitzendondernemingen zijn goed op de hoogte van de veiligheidsaspecten die van toepassing zijn op bedrijven die actief zijn in de bouw, techniek, petrochemie, civiele techniek en andere sectoren waarbij er sprake is van een verhoogd veiligheidsrisico op de werkvloer. VCU gecertificeerde uitzendondernemingen zijn in de praktijk meestal gespecialiseerd in een bepaalde sector bijvoorbeeld werktuigbouwkunde of installatietechniek en elektrotechniek. Door deze specialisatie hebben VCU gecertificeerde uitzendbureaus in de praktijk meestal branchespecifieke informatie met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden en de risico’s die daarbij aan de orde (kunnen) komen. Door deze kennis kunnen de VCU uitzendbureaus de klant effectief ondersteunen bij personeelsvraagstukken. Daarnaast kunnen VCU uitzendbureaus ook goed inschatten wat de kwaliteiten zijn van potentiële uitzendkrachten. De zogenaamde ‘match’ of overeenstemming tussen de vereiste kwaliteiten van de opdrachtgever en de capaciteiten van de uitzendkracht kunnen daardoor beter worden gemaakt.

Dit zorgt er niet alleen voor dat opdrachtgevers of inleners beter worden begrepen het draagt ook in belangrijke mate bij aan de veiligheid op de werkvloer. Als een werknemer een voldoende onderricht persoon is of een vakbekwaam persoon dan weet een VCU uitzendbureau wat dit in de praktijk inhoudt en welke klussen wel en welke uitzendwerkzaamheden niet aan de uitzendkracht kunnen worden aangeboden. Tijdens het inventariseren van de opdracht kan een intercedent van VCU gecertificeerde uitzendonderneming vaak door zijn of haar kennis over de (technische) branche goed doorvragen waardoor zowel het inwinnen als het verstrekken van relevante informatie aan de uitzendkracht zo volledig mogelijk kan gebeuren. De intercedent van een VCU gecertificeerd uitzendbureau heeft ook een speciaal certificaat, dit is het VIL VCU certificaat en wordt behandeld in de volgende alinea.

Wat is VIL VCU?
Uitzendondernemingen en andere intermediairs die personeel bemiddelen bij VCA gecertificeerde ondernemingen zullen VCU gecertificeerd moeten zijn. Echter is het VCU certificaat verbonden aan een organisatie bijvoorbeeld een uitzendbureau of detacheringsbureau. De interne werknemers binnen deze onderneming dienen echter ook persoonlijk gecertificeerd te zijn. VIL is Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden terwijl VCU de Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties is. De intercedenten, consultants, vestigingsmanagers en andere personen die zich bezig houden met het bemiddelen van uitzendkrachten en andere flexkrachten leren tijdens een VIL VCU cursus wat er van hen verwacht wordt in het VCA-VCU proces. Dit is belangrijk wat uiteindelijk zijn intercedenten en hun collega’s het contactpunt voor VCA bedrijven en (potentiële) uitzendkrachten. Binnen een VCU organisatie is door de VIL VCU certificering van de interne medewerkers voldoende kennis aanwezig om VCA gecertificeerde bedrijven te voorzien van voldoende gekwalificeerd personeel.  

Is een RI&E verplicht?

Een Risico Inventarisatie en Evaluatie wordt afgekort met RI&E en is een verplicht onderdeel van het Arbobeleid dat een organisatie moet voeren op basis van de Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet. De doelstelling van het RI&E is bestrijden van risico’s op de werkplek door:

  • Het inventariseren van risico’s.
  • Het beoordelen en rangschikken van risico’s.
  • Het maken van een plan van aanpak waarmee risico’s bestreden kunnen worden.
  • Het uitvoeren van het plan van aanpak.
  • Het evalueren van het plan van aanpak.
  • Inventariseren van de risico’s die nog aanwezig zijn (vanaf deze stap lopen de hiervoor genoemde stappen weer van boven naar beneden).

Bedrijven zijn volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om een Risico Inventarisatie en Evaluatie uit te voeren. Deze verplichting geldt sinds 1 januari 1994 in Nederland.

Voor welke bedrijven is een RI&E verplicht?
In de inleiding werd aangegeven dat een Risico Inventarisatie en Evaluatie volgens de Arbowet verplicht moet worden uitgevoerd. Deze verplichting is van toepassing op alle bedrijven behalve voor zelfstandigen die geen personeel in dienst hebben. Deze laatste groep wordt ook wel freelancer genoemd of zzp’ers. De afkorting zzp staat voor zelfstandige zonder personeel. Omdat zzp’ers geen personeel in dienst hebben hoeven ze geen Risico Inventarisatie en Evaluatie uit te voeren. In de praktijk worden zzp’ers vaak ingeleend of ingezet door grotere bedrijven die wel meerdere personeelsleden in dienst hebben. Vanwege het feit dat deze inleners wel meerdere personeelsleden in dienst hebben moeten zij een Risico Inventarisatie en Evaluatie uitvoeren. Daardoor zal de zzp’er in de praktijk vaak werken binnen een bedrijf waar wel degelijk een Arbobeleid wordt gevoerd met een RI&E als onlosmakelijk onderdeel daarvan.

Wat is een RI&E?
Een Risico Inventarisatie en Evaluatie is een middel waarmee de risico’s binnen een bedrijf in kaart moeten worden gebracht. Het in kaart brengen van deze risico’s is van groot belang omdat bedrijven de wettelijke en morele plicht hebben om een zo veilig mogelijke werkplek voor hun personeel te realiseren. Dit kunnen werkgevers zullen voor de uitvoering van de Risico Inventarisatie en Evaluatie bepaalde expertise nodig hebben. Daarom moeten ze een gecertificeerde arbodienst of deskundige preventie inschakelen om dit proces te begeleiden.

Het RI&E moet schriftelijk worden vastgelegd. In de analyse en inventarisatie van de risico’s moet ook duidelijk worden aangeven wat de kans is dat een bepaald gevaar daadwerkelijk zal plaatsvinden. Verder is het plan van aanpak een wezenlijk onderdeel van het RI&E. Risico’s moeten namelijk niet alleen worden geïnventariseerd maar ook worden aangepakt en bestreden. Het plan van aanpak moet duidelijk zijn beschreven en daarnaast ook voorzien zijn van deadlines en/of een tijdsplanning. Verder moet in een RI&E duidelijk naar voren komen wie voor welke taak verantwoordelijk is.

Na de uitvoering van het plan van aanpak stopt het inventariseren en evalueren van risico’s niet. Dit proces blijft continue doorgaan. Bedrijven zullen altijd te maken krijgen met veranderingen en dynamiek. Dat zorgt er voor dat er ook weer nieuwe risico’s kunnen ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van nieuwe machines, werktuigen en andere productiemiddelen. Ook de uitbereiding van een fabriekspand of utiliteitscomplex kan er voor zorgen dat er weer andere risico’s ontstaan. Dat zorgt er voor dat de risico’s steeds weer opnieuw moeten worden geïnventariseerd, geëvalueerd en bestreden.  

Wat is een Risico Inventarisatie en Evaluatie RI&E?

Risico-Inventarisatie en Evaluatie is een verplicht onderdeel van het arbobeleid van een bedrijf waarmee op een gestructureerde wijze periodiek de risico’s op het gebied van veiligheid en gezondheid worden geïnventariseerd, beschreven en geëvalueerd. Bedrijven zijn volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om een zo veilig mogelijke werkplek voor hun werknemers te creëren.

Daarnaast moet de werkplek en de atmosfeer op en rondom de werkplek ook geen schade opleveren voor de gezondheid van werknemers, bezoekers van de werkplek en andere personen die aanwezig kunnen zijn binnen het bedrijf of in de directe omgeving van het bedrijf. Het is echter van belang dat bedrijven een goed beeld hebben van de aanwezige risico’s. Pas wanneer de risico’s goed in kaart zijn gebracht en duidelijk zijn omschreven in een Risico Inventarisatie en Evaluatie kunnen de risico’s effectief worden bestreden. Dit laatste gebeurd in het plan van aanpak dat de organisatie moet opstellen op basis van de risico’s.

Onderdelen van een Risico Inventarisatie en Evaluatie
Een Risico Inventarisatie & Evaluatie moet uit een aantal onderdelen bestaan. Dit is van belang omdat dit RI&E volledig moet zijn. De Arbeidsomstandigheden wet geeft duidelijkheid over de inhoud van de Risico Inventarisatie en Evaluatie. We noemen een aantal voorbeelden van richtlijnen die worden geboden door de Arbowet over de inhoud van de RI&E:

  • In de RI&E moeten rol en taken en het gewenste niveau van de preventiemedewerker zijn omschreven. Ook moet het aantal preventiemedewerkers duidelijk in kaart zijn gebracht. Deze informatie is gebaseerd op de uitkomsten van de RI&E. Voor meer informatie Arbowet art. 13.
  • Artikel 5 van de Arbeidsomstandigheden bepaald dat de werkgever voor het arbeidsomstandighedenbeleid in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk moest vastleggen welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en -evaluatie zal ook een beschrijving moeten bevatten van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen die worden genomen.
  • Er moet een plan van aanpak worden opgesteld waarin door het bedrijf is aangegeven welke maatregelen genomen zullen worden om de risico’s te bestrijden. Daarnaast moet ook duidelijk worden gemaakt wanneer de maatregelen worden uitgevoerd en hoe. Dit staat in de Arbeidsomstandigheden wet Artikel 5 lid 3.
  • Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet verplicht de werkgever mee te werken aan de doorgeleidingsplicht die op basis van de WAADI aan uitzendbureaus is opgelegd. Werkgevers moeten namelijk conform Artikel 5 lid 5 van de Arbowet tijdig aan de intermediair of het uitzendbureau relevante informatie uit de risico-inventarisatie en -evaluatie verstrekken met betrekking tot de gevaren op de werkvloer en risicobeperkende maatregelen die hiervoor zijn getroffen. Ook de risico’s voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats moeten aan het uitzendbureau bekend worden gemaakt. de doorgeleidingsplicht die het uitzendbureau op basis van de WAADI heeft zorgt er voor dat de uitzendonderneming deze relevante informatie aan de uitzendkracht verstrekt. Zie voor meer informatie het hoofdartikel “ wat is doorgeleidingplicht?” op technischwerken.nl.

Aan de hierboven richtlijnen moeten bedrijven zich houden. Toch hebben bedrijven wel een bepaalde vrijheid met betrekking tot de uitvoering van de Risico Inventarisatie en Evaluatie. Het is belangrijk dat bedrijven een goed inzicht krijgen in de risico’s die op en rondom de werkvloer aanwezig (kunnen) zijn. Een RI&E moet daar een zo goed mogelijk beeld van geven. Daarom moeten de risico’s zo duidelijk mogelijk worden beschreven. Daarbij moet de aard van het risico in kaart zijn gebracht maar ook de omvang van het risico en de mogelijke gevolgen. Er dient een rangschikking te zijn tussen de risico’s en er moet een duidelijke prioriteit in deze rangschikking zijn aangebracht. Verder dienen bedrijven ook een plan van aanpak vast te stellen waarmee het bedrijf de aanwezige risico’s wil wegnemen, beperken of beheersen. De informatie die moet worden genoteerd en verwerkt wordt duidelijk als men kijkt naar de verschillende stappen die een bedrijf moet uitvoeren tijdens de RI&E. In de volgende alinea is het stappenplan van de Risico Inventarisatie en Evaluatie weergegeven.

Stappenplan van de Risico Inventarisatie en Evaluatie
Een RI&E moet door een bedrijf gestructureerd uitgevoerd moeten worden. Daarbij is een planmatige aanpak belangrijk. Het inventariseren van risico’s en het evalueren daarvan evenals het bestrijden van risico’s met een planmatige aanpak is iets waar bedrijven voortdurend mee bezig moeten zijn. Er kunnen namelijk weer nieuwe risico’s op de werkplek ontstaan als er nieuwe machines worden geplaatst, andere werkzaamheden worden verricht, met meer of juist met minder personeel wordt gewerkt of door slijtage aan machines, constructies en gebouwen. Een bedrijf is daarom nooit klaar met het inventariseren van risico’s. Juist daarom is het belangrijk dat het RI&E proces geconditioneerd wordt. De volgende stappen worden tijden het RI&E door een bedrijf uitgevoerd:

Stap 1: Inventarisatie
In deze eerste stap gaat het bedrijf alle risico’s die in het bedrijf aanwezig zijn in kaart brengen. De risico’s moeten duidelijk worden omschreven. Aan het einde van deze stap zullen alle risico’s in een duidelijke lijst zijn opgesteld. Deze lijst is een belangrijk uitgangspunt voor stap twee.

Stap 2: Evaluatie van de risico’s
Nadat het aantal risico’s is geïnventariseerd zullen bedrijven de risico’s moeten evalueren. Daarbij wordt gekeken naar de waarschijnlijkheid dat een bepaald incident plaats zal vinden en de omvang van de gevolgen als het risico daadwerkelijk zal plaatsvinden. Op basis van de risico evaluatie zal een rangschikking worden gemaakt van de risico’s. Uit deze rangschikking moet naar voren komen welke risico’s het belangrijkste zijn. Dit zijn de risico’s die het grootste gevaar vormen en de grootste kans hebben op het daadwerkelijk plaatsvinden van een incident. Deze rangschikking van risico’s dient eveneens schriftelijk te worden vastgelegd.

Stap 3: Plan van aanpak
Het inventariseren en evalueren van de risico’s vormen de basis voor een effectieve aanpak van de risico’s. Deze aanpak moet planmatig zijn en gestructureerd daarom moet er een duidelijk plan van aanpak worden opgesteld. In het plan van aanpak moet worden beschreven welke maatregelen worden genomen om het risico weg te nemen doormiddel van bronbestrijding. Als bronbestrijding niet mogelijk is zal het bedrijf technische voorzieningen moeten treffen om de mens zoveel mogelijk van de bron van het gevaar te scheiden. Ook beheersmaatregelen kunnen aan de orde komen. Hierbij kan ook gedacht worden aan het verstrekken en gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen (pbm’s). De maatregelen moeten duidelijk worden beschreven en er moet aangegeven worden wanneer de maatregelen worden ingevoerd. Verder moet duidelijk zijn wie voor de invoering van de maatregelen verantwoordelijk is en wie de implementatie controleert.

Stap 4: Toetsen van de RI&E
De Risico Inventarisatie & Evaluatie moet worden getoetst door een arbodienst of arbodeskundige. Deze toetsing is niet verplicht bij bedrijven die minder dan 26 werknemers aan het werk hebben als die gebruik maken van een erkend Branche RI&E instrument. Het uiteindelijke doel is dat er een duidelijke RI&E door het bedrijf is opgesteld dat voldoet aan de wettelijke eisen.

Stap 5: Aan de slag
De laatste stap is de daadwerkelijke uitvoering van het plan van aanpak. Dit houdt in dat de hiervoor genoemde stappen ten uitvoering moeten worden gebracht. Het plan van aanpak moet in de praktijk worden uitgevoerd door de personen en de afdeling(en) die hiervoor verantwoordelijk zijn. Tijdens de uitvoering van het plan van aanpak is het goed mogelijk dat men tegen problemen aanloopt. Bepaalde methoden om risico’s aan te pakken of te beperken kunnen in de praktijk wel moeilijk uitvoerbaar zijn. Daarom moet er ook tijdens het plan van aanpak voortdurend controle worden gehouden en geëvalueerd. Indien bijsturing nodig is zal dit met de verantwoordelijke personen en de preventiemedewerker moeten worden overlegd. Op die manier blijft een plan van aanpak actueel en praktisch toepasbaar.

Wat is doorgeleidingsplicht?

Doorgeleidingsplicht is de wettelijke verplichting die een uitzendbureau op basis de WAADI heeft met betrekking tot het inwinnen en het verstrekken van alle relevante informatie aan een uitzendkracht zodat deze zijn of haar uitzendwerk zo veilig en goed mogelijk kan uitvoeren zonder dat de uitzendkracht daarbij de veiligheid en gezondheid van zichzelf, de collega’s, de bezoekers en de omwonenden van werkplek wordt geschaad.

Doorgeleidingsplicht WAADI
De doorgeleidingsplicht wordt niet voor niets en plicht genoemd. Het is een wettelijke verplichting waar uitzendondernemingen zich aan moeten houden. Niet alleen uitzendbureaus moeten zich houden aan de doorgeleidingsplicht, alle intermediairs waarop de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs van toepassing is moeten zich houden aan de doorgeleidingsplicht. Deze Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs is ook wel bekend onder de afkorting WAADI die u zich misschien herinnerd van de inleiding van deze tekst.

Voor wie is de doorgeleidingsplicht?
De WAADI is van toepassing op alle bedrijven die uitzendkrachten en andere tijdelijke krachten beschikbaar stellen om voor andere bedrijven, de inleners, werkzaamheden uit te voeren. Omdat deze intermediairs wel feitelijk de werkgevers zijn van deze inleenkrachten maar niet daadwerkelijk belast zijn met het dagelijkse toezicht op deze krachten moeten ze er voor zorgen dat de inleenkrachten worden voorzien van de juiste instructies met betrekking tot de veiligheid en de aard van de werkzaamheden.

De uitzendonderneming of intermediair moet deze informatie in duidelijke en begrijpelijke taal verstrekken aan de uitzendkracht. Uiteraard dient de uitzendonderneming eerst de juiste informatie in te winnen, dit is vastgelegd in Artikel 11 van de WAADI. Dit is de rol van de uitzendonderneming uiteraard heeft de inlener ook een rol. De rol van de inlener komt naar voren in Artikel 5, lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. Deze twee artikelen zijn in de onderstaande alinea’s geciteerd en toegelicht.

Doorgeleidingsplicht op basis van Artikel 11 WAADI
De doorgeleidingsplicht is wettelijk vastgelegd in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Uitzendbureaus en andere intermediairs zijn namelijk als feitelijk werkgever in belangrijke mate verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van de uitzendkracht of inleenkracht. Een intermediair is echter niet in staat of niet in de mogelijkheid om dagelijks toezicht te houden op de werkzaamheden van de inleenkracht. Dit doet de operationeel leidinggevende van de inlenende werkgever. Een uitzendonderneming / intermediair heeft echter wel de verplichting om hun uitleenpersoneel zo goed mogelijk te instrueren. Dit is in de WAADI vastgelegd onder Artikel 11. De letterlijke tekst van WAADI Artikel 11 is als volgt:

Degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt verschaft aan degene die ter beschikking wordt gesteld, informatie over de verlangde beroepskwalificatie en verstrekt aan die persoon de beschrijving, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, voordat de terbeschikkingstelling een aanvang neemt”. Einde citaat Artikel 11 WAADI.

Uit dit citaat van Artikel 11 van de WAADI komt duidelijk de verplichting naar voren die intermediairs, of bedrijven die arbeidskrachten ter beschikking stellen, hebben indien zijn hun personeel laten werken bij andere organisaties. Het gaat hierbij om de beroepskwalificatie. Dit is een vrij algemene term die men zou kunnen omschrijven als alle eisen en kwalificaties waaraan een arbeidskracht moet voldoen om de werkzaamheden te kunnen en te mogen uitvoeren. Dit zijn dus ook in belangrijke mate de selectiecriteria voor een uitzendonderneming. In Artikel 11 van de WAADI wordt ook gerefereerd aan Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet of Arbowet. Als men dit artikel leest komt duidelijk naar voren dat de inlenende werkgever ook verplichtingen heeft naar de uitzendonderneming toe met betrekking tot de instructie voor de uitzendkracht/ inlener op het gebied van veiligheid en gezondheid. In de volgende alinea kan hier meer over gelezen worden.

Doorgeleidingsplicht en Artikel 5 lid 5 Arbeidsomstandighedenwet
Inlenende bedrijven hebben ook verantwoordelijkheden met betrekking tot de informatieverschaffing aan de uitzendonderneming/ intermediair en de inleenkracht/ uitzendkracht. De Arbeidsomstandighedenwet is er primair op gericht dat werkgevers een zo gezond en veilig mogelijk werkklimaat creëren voor hun werknemers. Daarbij gaat het niet alleen om werknemers die op contactbasis, rechtstreeks in dienst zijn bij de werkgever ook tijdelijke krachten en flexkrachten dienen door de werkgever conform de Arbeidsomstandighedenwet te worden beschermd tegen risico’s, onveilige situaties en arbeidsomstandigheden die de veiligheid en gezondheid kunnen schaden. Tijdelijke krachten moeten goed op de hoogte worden gebracht van de arbeidsomstandigheden waarin ze terecht zullen komen als ze bij de inlener aan de slag gaan. Daarom is in Artikel 5 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet het volgende vastgelegd:

Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden aan degene, die de werknemer ter beschikking stelt, de beschrijving uit de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren en risico beperkende maatregelen en van de risico’s voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats, opdat diegene deze beschrijving verstrekt aan de betrokken werknemer.

Dit artikel uit de Arbeidsomstandighedenwet maakt duidelijk dat de werkgever die als inlener optreed ook duidelijk verplichtingen heeft als hij werknemers wil inlenen. Het bedrijf is volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om de aanwezige risico’s in het bedrijf te inventariseren in een Risico Inventarisatie en Evaluatie. Daarnaast moet een bedrijf conform deze Arbowet ook deze risico’s trachten weg te nemen, te beperken en te beheersen. Daarvoor stelt het bedrijf een plan van aanpak op. Daaruit vloeien echter weer veiligheidsprocedures en veiligheidsinstructies voort. Ook werkinstructies zijn een gevolg van Risico Inventarisatie en Evaluatie. Het is echter van belang dat niet alleen de eigen personeelsleden deze instructies krijgen maar alle werknemers die binnen het bedrijf werkzaam zijn dus ook de inleenkrachten. Daarom moet een (potentiële) inlener aan de uitlener van personeel tijdig de benodigde informatie verstrekken met betrekking tot de werkzaamheden, kwalificaties, veiligheidsrisico’s en beheersmaatregelen.

Doorgeleidingsplicht tot slot
Artikel 11 van de WAADI en Artikel 5 lid 5 van de Arbowet vormen gezamenlijk de wettelijke basis van de doorgeleidingsplicht. Bedrijven die tijdelijke krachten willen inlenen moeten aan de uitleners duidelijke informatie verschaffen met betrekking tot de aard van de werkzaamheden en de risico’s die daarbij aan de orde komen. Ook de beheersmaatregelen en benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden benoemd (en verstrekt). Het verstrekken van de persoonlijke beschermingsmiddelen moet gedaan worden door de inlener en het toezicht op het gebruik van deze pbm’s moet worden gedaan door de operationeel leidinggevende van de inlener. De intermediair of de uitzendonderneming dient door te vragen tijdens de ontvangst van een vacature of opdracht. In dit doorvragen moet duidelijk naar voren komen wat de risico’s daadwerkelijk zijn en wat de uitzendkracht moet doen of moet laten om de risico’s te beperken of beheersbaar te maken. De uitzendonderneming zal deze informatie aan de uitzendkracht moeten overbrengen. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van een personeelsinstructieformulier.

Wat is VCA?
Uitzendbureaus in de techniek en de bouw krijgen dikwijls te maken met opdrachtgevers die VCA gecertificeerd zijn. Deze VCA certificering is niet wettelijk verplicht maar is vaak wel sterk branche gebonden. Een VCA gecertificeerde onderneming moet aan bepaalde eisen voldoen om het VCA certificaat te ontvangen en te behouden. VCA staat voor VGM Checklist voor Aannemers. De letters VGM staan voor Veiligheid, Gezondheid en Milieu. Dit zijn drie belangrijke kernonderwerpen in het VCA beleid van bedrijven. Bedrijven die VCA gecertificeerd zijn moeten hun personeel ook VCA certificeren. Op die manier wordt het naleven van het VCA niet alleen gedaan op basis van beleidsmatige theorie maar ook in de praktijk. VCA certificaten voor personeel zijn er in twee soorten:

  • Basis VCA: dit VCA certificaat is voor uitvoerende personeelsleden.
  • VOL VCA: dit VCA is voor operationeel leidinggevenden (VOL = Veiligheid Operationeel Leidinggevenden.

Ook uitzendkrachten die bij een VCA gecertificeerde onderneming aan de slag gaan dienen in bezit te zijn van een VCA certificaat. Uitzendondernemingen die deze uitzendkrachten bemiddelen moeten echter ook gecertificeerd zijn. Dit gebeurd doormiddel van het VCU certificaat dat een afgeleide is van het VCA certificaat. Over VCU kun je meer lezen in de volgende alinea of in de specifieke teksten op technischwerken.nl die dit onderwerp behandelen.

Wat is VCU?
VCU is het VCA certificaat voor uitzendbureaus. De letters VCU staan daarom ook niet voor niets voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Uitzendorganisaties kunnen een VCU certificering aanvragen. Deze certificering is net als het VCA ondergebracht bij de SSVV dit is de onafhankelijke Stichting Samenwerken Voor Veiligheid. VCU gecertificeerde uitzendondernemingen leggen extra de nadruk op veiligheid en gezondheid van hun uitzendkrachten. Dit uit zich ook in de doorgeleidingsplicht. Daarbij wordt in de werkinstructie duidelijk gevraagd of de uitzendkracht in bezit moet zijn van basis VCA of VCA VOL.

Wat is VIL VCU?
Naast de uitzendonderneming als organisatie wordt ook het interne personeel van de uitzendonderneming als het goed is gecertificeerd. Het is immers het personeel van het uitzendbureau dat de daadwerkelijke doorgeleidingsplicht ten uitvoering moet brengen door het verstrekken van een personeelsinstructie aan de uitzendkracht. Daarvoor is basiskennis nodig. Deze wordt geboden door het VIL VCU. Daarbij staat VIL voor Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden en VCU staat voor het eerder genoemde Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Een VIL VCU certificaat is net als een VCA certificaat tien jaar geldig en is persoonsgebonden.

Wat is een VCU gecertificeerde uitzendorganisatie?

Een VCU gecertificeerde uitzendorganisatie is een uitzendorganisatie die gecertificeerd is op het gebied van de Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Het VCU is ondergebracht bij de SSVV oftewel de onafhankelijke Stichting Samenwerken Voor Veiligheid. Bij deze stichting is ook het de VGM Checklist voor Aannemers ondergebracht die beter bekend staat onder de afkorting VCA. Het SSVV heeft twee organen die er voor zorgen dat de procedures met betrekking tot VCA en VCU correct worden uitgevoerd. Dit is het Centraal College van Deskundigen VCA en de Werkgroep VCU. Het VCU is bestemd voor uitzendondernemingen die uitzendkrachten en ander (flexibel) personeel uitzenden naar VCA-gecertificeerde opdrachtgevers die ook wel de inleners worden genoemd van uitzendpersoneel.

Voor welke uitzendbureaus is VCU?
VCU is een certificering die voor bepaalde uitzendondernemingen van toepassing zal zijn. Niet elke uitzendonderneming levert immers personeel aan VCA-gecertificeerde bedrijven. De uitzendbureaus die dit echter wel doen zullen er verstandig aan doen om zich VCU te laten certificeren. Opdrachtgevers die namelijk VCA gecertificeerd zijn zullen van hun toeleveranciers van personeel verwachten dat het personeel van zowel de uitzendonderneming intern als het externe personeel van de uitzendonderneming op de hoogte zijn van de veiligheidsrichtlijnen die zijn omschreven in de VGM Checklist voor Aannemers. De letters VGM staan overigens voor Veiligheid Gezondheid en Milieu. Bedrijven die VCA gecertificeerd zijn besteden extra aandacht aan:

  • de veiligheid van het personeel en andere aanwezigen, omwonenden op en rondom de werkplek,
  • de gezondheid van zowel werknemers, bezoekers en omwonenden.
  • het milieu oftewel de omgeving rondom de werkplek.

 Deze aspecten komen naar voren in het VGM beleid van een VCA gecertificeerde onderneming. Daaronder valt ook het Arbobeleid dat ook wel het Arbeidsomstandighedenbeleid wordt genoemd. Dit beleid is een wettelijke verplichting vanuit de Arbowet. VCA is echter niet een wettelijke verplichting maar is wel een belangrijke methode om het VGM beleid uit te dragen.

Uitzendondernemingen die aan VCA gecertificeerde bedrijven (tijdelijk) personeel leveren moeten goed op de hoogte zijn van de eisen die aan dit personeel worden gesteld op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu. Daarom moeten uitzendkrachten die bij VCA gecertificeerde bedrijven tewerk worden gesteld in bezit zijn van Basis VCA als ze een uitvoerende functie gaan bekleden en VOL VCA als ze worden ingezet als operationeel leidinggevende (VOL is Veiligheid voor Operationeel Leidinggevenden).

Uitzendbureaus zelf moeten VCU gecertificeerd zijn en moeten begrijpen wat er voor risico’s aanwezig zijn op de werkplek van de opdrachtgever en inlener. Deze risico’s hoeven uitzendondernemingen niet zelf te inventariseren. De opdrachtgever is zelf verantwoordelijk voor het houden van een Risico Inventarisatie en Evaluatie en de beschrijving van een plan van aanpak waarmee de risico’s op de werkplek worden bestreden of beheerst. De uitzendonderneming moet echter wel van de opdrachtgever te horen krijgen welke risico’s op de werkplek aanwezig zijn en hoe de uitzendkracht zich tegen deze risico’s dient te beschermen. Daarbij kunnen veiligheidsprocedures een rol spelen maar ook het dragen van bijvoorbeeld persoonlijke beschermingsmiddelen.

Doorgeleidingsplicht
Uitzendbureaus zijn de formele werkgever van uitzendkrachten toch zijn uitzendbureaus niet belast met het dagelijkse toezicht op uitzendkrachten. Dat laatste doet namelijk de operationeel leidinggevende van de inlenende partij die ook wel de materiele werkgever wordt genoemd. De uitzendonderneming dient echter alle relevante informatie met betrekking tot de veiligheid en gezondheid op de werkvloer te verstrekken aan de uitzendkracht.

Deze informatie moet de uitzendonderneming dus eerst ontvangen van de inlenende partij. Dit moet gebeuren voordat de uitzendkracht te werk wordt gesteld. De uitzendonderneming zal de informatie duidelijk aan de uitzendkracht moeten overbrengen. Dit gebeurd in de praktijk meestal doormiddel van een personeelsinstructieformulier die door de uitzendonderneming aan de uitzendkracht wordt verstrekt en meestal mondeling wordt toegelicht door de intercedent of vestigingsmanager van het uitzendbureau. Op die manier voldoet de uitzendonderneming aan de doorgeleidingsplicht.

Wat is VIL VCU?
VIL VCU is een afkorting die ook vaak wordt benoemd in het uitzendwezen. Wat VCU is stond in de alinea’s hierboven al vermeld. VIL staat voor Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden. De combinatie tussen VIL en VCU maakt duidelijk dat VIL VCU staat voor de daadwerkelijke certificering van de interne werknemers van het uitzendbureau oftewel de intercedenten, consultants en de leidinggevenden die in de praktijk vaak de vestigingsmanager of regiomanager zijn. Deze personen dienen allemaal een VCU certificaat te behalen. Kortom het uitzendbureau is VCU gecertificeerd en de werknemers van de VCU gecertificeerde uitzendonderneming dienen VIL VCU gecertificeerd te zijn.

Wat is VIL VCU?

VIL VCU is een speciaal certificaat voor uitzendorganisaties die personeel leveren aan VCA-certificeerde bedrijven en daardoor aan bepaalde kwaliteitseisen en veiligheidseisen moeten voldoen. VIL VCU is een samenvoeging die bestaat uit twee afkortingen die als volgt kunnen worden verklaard:

  • VIL: staat voor Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden,
  • VCU: staat voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties

Het VIL VCU is een speciale certificering die is voortgekomen uit het VCA. Het VCA is een certificering voor aannemers maar ook voor verschillende andere technische bedrijven en bouwbedrijven. De afkorting VCA staat voor VGM Checklist Aannemers. Om de reeks afkortingen geheel te verklaren staat VGM voor Veiligheid Gezondheid en Milieu. Juist deze laatste verklaring van de afkorting VGM maakt duidelijk waar het in deze certificering om gaat namelijk het:

  • bevorderen van de veiligheid op de werkvloer,
  • het beschermen van de gezondheid van de werknemers en andere aanwezigen op de werkvloer,
  • het zoveel mogelijk beperken van de schadelijke effecten van de bedrijfsvoering voor het milieu.

Verklaring VIL VCU
Zoals hiervoor is aangegeven staat VCU voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties dit maakt duidelijk dat VCU specifiek voor uitzendondernemingen oftewel uitzendbureaus is ingevoerd. Uitzendbureaus die uitzendkrachten leveren voor klanten die VCA gecertificeerd zijn zullen goed moeten weten welke risico’s bij hun (potentiële) opdrachtgevers of inleners aan de orde (kunnen) komen. Allereerst is het natuurlijk van belang om te weten waarom het VCA is ingevoerd en wat het VCA precies voor rol speelt in technische sector, de petrochemie en de bouw. Daarover gaat de volgende alinea.

VCA: VGM Checklist Aannemers
Er zijn verschillende uitzendbureaus in Nederland actief. Er zijn uitzendondernemingen die zich richten op alle markten en sectoren maar er zijn ook uitzendbureaus die zich alleen richten op de techniek, offshore of de bouw. Dit zijn technische sectoren waarbij werknemers, dus ook uitzendkrachten, onder andere te maken krijgen met machines, elektrische spanning, grote constructies en alle risico’s die daarbij horen.

Werkgevers hebben in Nederland de wettelijke plicht om contactwerknemers en uitzendkrachten zo goed mogelijk te instrueren over de werkzaamheden en bijbehorende risico’s. Deze plicht hebben werkgevers op basis van de Arbowet. Een goede veiligheidsinstructie is gebaseerd op een Risico Inventarisatie en Evaluatie. Doormiddel van dit RI&E brengen bedrijven risico’s op en rondom de werkvloer in kaart.

Doormiddel van een plan van aanpak trachten bedrijven de risico’s bij de bron te bestrijden door bronbestrijdingsmaatregelen. Dit is echter lang niet altijd mogelijk daarom ondernemen bedrijven verschillende maatregelen om de mensen van de bron van het gevaar te scheiden. Dit kan door technische maatregelen en beheersmaatregelen. Als de risico’s niet (geheel)  weggenomen kunnen worden zullen de risico’s moeten worden beheerst. Daarvoor is een duidelijke werkinstructie noodzakelijk en zullen bedrijven ook persoonlijke beschermingsmiddelen moeten verstrekken aan hun personeel indien dit de veiligheid en gezondheid van de werknemers beschermd tegen schadelijke effecten van de werkzaamheden of de werkomgeving. 

Personeel moet dus duidelijke instructies krijgen. Deze instructies krijgt het personeel uiteraard ook mondeling bij de aanvang van de werkzaamheden. Er zijn echter op de bouw zo enorm veel algemene veiligheidsinstructies die aan de orde komen dat een direct leidinggevende bijna onmogelijk tijd kan besteden aan het benoemen van alle risico’s en bijbehorende beheersmaatregelen. Daarom is basiskennis op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu belangrijk. Deze basiskennis leren de werknemers en dus ook uitzendkrachten in een Basis VCA cursus. Er zijn echter verschillende soorten VCA certificaten. Dit lees je in de volgende alinea.

Verschillende soorten VCA
Op de bouw en in de techniek zijn verschillende ‘spelers’ actief. Deze ‘spelers’ zijn bedrijven en organisaties. Men maakt wel de onderverdeling tussen opdrachtgevers, hoofdaannemers en onderaannemers. De opdrachtgever geeft de opdracht voor bijvoorbeeld het bouwen van een constructie, woning, utiliteitscomplex of fabriek. De aannemer neemt de opdracht aan en zet vaak verschillende onderaannemers in om bepaalde gedeelten van het project af te ronden.

Zo kan een grote bouwonderneming de hoofdaannemer zijn en kan deze installatiebedrijven, stukadoors en tegelzetters als onderaannemer een deel van het project laten uitvoeren. Het spreekt echter voor zich dat ook deze bedrijven zich moeten houden aan de regels met betrekking tot veiligheid, gezondheid en milieu. Om die reden zijn er verschillende soorten VCA certificaten ontstaan. We noemen de belangrijkste VCA certificeringen:

  • Uitvoerend personeel en uitzendkrachten dienen in bezit te zijn van een VCA basis of een VCA B als ze werkzaamheden uitvoeren bij een werkgever die VCA gecertificeerd is. Ook uitzendkrachten dienen over een basis VCA te beschikken als ze werkzaamheden uitvoeren voor inleners die VCA gecertificeerd zijn.
  • Voor leidinggevenden is er een VOL VCA. De letters VOL staan Veiligheid voor Operationeel leidinggevenden. Dit maakt duidelijk dat operationeel leidinggevenden in deze VOL VCA cursus extra informatie krijgen over hun verantwoordelijkheden en hun rol op het gebied van Veiligheid Gezondheid en Milieu op de werkvloer.
  • Voor opdrachtgevers is er het VCO de afkorting VCO staat voor Veiligheids, Gezondheid en Milieu Checklist Opdrachtgevers. Het VCO is bedoeld voor opdrachtgevers die opdrachten willen laten uitvoeren door (andere) bedrijven waarbij het uitvoeren van de opdracht bepaalde risico’s voor de veiligheid, gezondheid en het milieu meebrengen.

Naast bovenstaande VCA certificaten is er natuurlijk ook nog het VIL VCU. Dit is een bijzonder VCA certificaat en wordt in de volgende alinea’s behandeld.

Waarom VCU?
VCU staat zoals eerder benoemd voor
Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties en is ontstaan uit VCA. Uitzendorganisaties hebben als intermediair een bijzondere positie als het gaat om de veiligheid, gezondheid en het milieu op de werkplek. Uitzendbureaus zijn immers tussenpersonen, de uitzendkracht zelf werkt niet onder rechtstreeks toezicht van de uitzendonderneming. In plaats daarvan werkt de uitzendkracht onder toezicht van de direct leidinggevende van de inlener. Deze direct leidinggevende wordt ook wel de operationeel leidinggevende genoemd. In de vorige alinea heb je gelezen dat deze operationeel leidinggevende in bezit moet zijn van een VOL VCA.

Deze operationeel leidinggevende is verantwoordelijk voor het verstrekken van de persoonlijke beschermingsmiddelen en het instrueren van de uitzendkracht als het gaat om het gebruik van machines, werktuigen en andere middelen waarmee de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. De uitzendkracht zal ook de operationeel leidinggevende van de inlener hanteren als eerste aanspreekpunt voor onveilige situaties. Tijdens een toolboxmeeting geeft een direct leidinggevende specifieke informatie over een bepaald veiligheidsaspect op de werkvloer. Een toolboxmeeting wordt conform VCA minimaal 10 keer per jaar gehouden. Net als het reguliere personeel is ook een uitzendkracht verplicht om bij een toolboxmeeting aanwezig te zijn. Tijdens deze meeting worden ook wel incidenten benoemd zoals bijna-ongevallen en ongevallen. Door het personeel tijdens de toolboxmeeting te betrekken bij het probleem kan het bedrijf het bewustzijn van het personeel met betrekking tot de veiligheid bevorderen.

Maar wat is dan de rol van het uitzendbureau? Het uitzendbureau heeft wel degelijk een rol in dit geheel. De uitzendonderneming heeft namelijk een doorgeleidingsplicht. Dit houdt in dat het uitzendbureau voor de aanvang van de werkzaamheden op de hoogte moet zijn van de specifieke veiligheidseisen die door de inlener zijn gesteld. Daarbij gaat het niet alleen over het feit of de uitzendkracht in bezit is van een basis VCA of niet. Er wordt ook gekeken naar andere aspecten zoals het werken met een heftruck, werken op hoogte, gebruik van bovenloopkranen en andere hijs en hefmiddelen enzovoort. Door goed door te vragen kan een intercedent een goed beeld krijgen van de arbeidsomstandigheden. Nog veel beter is het wanneer de intercedent eerst langs gaat op de werkplek waar de uitzendkracht zal moeten komen te werken om tijdens een werkplekinspectie een goed beeld te krijgen van de specifieke aspecten met betrekking tot veiligheid, gezondheid en milieu.

Uitzendbureaus winnen deze informatie niet voor niets in. Deze informatie wordt gebruikt om de juiste kandidaat uitzendkracht te selecteren voor de vacature van de inlener. Nadat deze selectie is geweest worden de kandidaten goed op de hoogte gebracht van de veiligheidsaspecten waar ze rekening mee dienen te houden. Deze voorlichting kan het beste plaatsvinden voordat de uitzendkracht op gesprek gaat bij de inlener. Het is namelijk belangrijk dat een uitzendkracht weet in wat voor soort bedrijf het gesprek wordt gevoerd en welke veiligheidsaspecten daarbij aan de orde komen. Zo kan een kandidaat uitzendkracht bijvoorbeeld werkschoenen meennemen voor het sollicitatiegesprek als hij of zij van het uitzendbureau te horen heeft gekregen dat er een rondleiding wordt gegeven over de werkplek. Als een bouwhelm daarbij benodigd is omdat het een bouwplaats betreft is het verstandig dat het uitzendbureau een bouwhelm aan de kandidaat verstrekt. Indien het uitzendbureau deze mogelijkheid niet heeft zal het uitzendbureau hierover afspraken moeten maken met de inlener zodat deze tijdig een bouwhelm aan de solliciterende uitzendkracht verstrekt.

Doorgeleidingsplicht
De doorgeleidingsplicht speelt een belangrijke rol bij het VIL VCU. Deze doorgeleidingsplicht houdt in dat uitzendondernemingen de plicht hebben om alle relevante informatie met betrekking tot veiligheid en gezondheid van de uitzendkracht tijdig bij de uitzendkracht onder de aandacht te brengen. De meeste uitzendondernemingen gebruiken hiervoor een personeelsinstructieformulier waarin de risico’s staan beschreven, de beheersmaatregelen, de persoonlijke beschermingsmiddelen die vereist zijn en de contactpersoon van de uitzendkracht.

Uiteraard dient een intercedent of leidinggevende op een uitzendbureau goed op de hoogte te zijn van de veiligheidsaspecten die aan de orde kunnen komen op de bouw en de techniek. Daarom heeft men het ook over VIL oftewel Veiligheid voor Intercedenten en Leidinggevenden en VCU dat staat voor Veiligheid en Gezondheid Checklist Uitzendorganisaties. Zowel intercedenten als leidinggevenden bij uitzendondernemingen dienen goed op de hoogte te zijn van de veiligheidsaspecten zodat ze deze door kunnen geven aan uitzendkrachten en daarmee voldoen aan goed werkgeverschap en aan de doorgeleidingsplicht.

VIL VCU tot slot
In de alinea’s hierboven is een duidelijk beeld geschetst van de rol van VIL VCU binnen de technische sector, de bouw en de uitzendbranche. Het is duidelijk dat VIL VCU veel meer is dan een formaliteit. Het gaat om een belangrijke rol die voor uitzendondernemingen is weggelegd om hun uitzendkrachten zo goed mogelijk op de hoogte te brengen van de veiligheidsaspecten waarmee de uitzendkracht te maken (kan) krijgen. Uitzendkrachten die in bezit zijn van basis VCA weten zelf de nodige basisaspecten met betrekking tot veilig werken.

Toch hebben ze doormiddel van een personeelsinstructieformulier met een mondelinge toelichting baat bij specifieke veiligheidsaspecten die van toepassing zijn op de arbeidsomstandigheden van de inlener. Arbeidsomstandigheden en werkplekken verschillen namelijk onderling sterk. Daarom moet bij iedere uitzending van uitzendkrachten een nieuwe personeelsinstructie worden gegeven aan uitzendkrachten. Een bedrijf geeft als het goed is 10 keer per jaar een toolboxmeeting. Uitzendbureaus dienen ook hiervan op de hoogte te zijn zodat ze hun uitzendkrachten kunnen wijzen op het belang van deze toolboxmeeting. De uiteindelijke doelstelling van VCA en VIL VCU is het beschermen van de gezondheid en veiligheid van werknemers en dus ook van uitzendkrachten. Het uitzendbureau is hierin de formele werkgever en de inlener is de materiële werkgever. Door goed met elkaar samen te werken kan de doelstelling voor het bereiken van een zo veilig mogelijke werkplek worden gerealiseerd.

NEN 4400-2 norm en het SNA keurmerk

In Nederland zijn niet alleen Nederlandse uitzendbureaus, aannemers en onderaannemers actief. Er zijn ook buitenlandse ondernemingen die personeel beschikbaar stellen in Nederland of die werk aannemen in Nederland. De EN 4400-2 norm is een norm die in Nederland is ingevoerd en die eisen stelt aan uitzendbureaus, uitleners, aannemers en onderaannemers die in Nederland werknemers arbeid laten verrichten. De EN 4400-2 norm is gericht op de wet en regelgeving omtrent de afdracht van belastingen en sociale premies door de genoemde ondernemingen. Ook is deze norm gericht op de controle of bedrijven zich wel houden aan de voorschriften en regels die gelden op het verrichten van arbeid in Nederland.

Waarom een NEN 4400-2 certificaat?
Uitzendbureaus en andere organisaties die voldoen aan de eisen van de NEN 4400-2 kunnen na een audit het NEN 4400-2 certificaat ontvangen. Daarmee kunnen deze ondernemingen duidelijk aantonen dat ze zich aan de benodigde wet en regelgeving houden. Voor de arbeidsmarkt is het NEN 400-2 certificaat en de bijbehorende norm ook belangrijk. Als ondernemers en aannemers, als ze buitenlandse krachten inzetten, alleen zaken doen met organisaties die voldoen aan deze norm wordt de kans op misstanden en uitbuiting verkleind.

Arbeidsmigranten
Werknemers uit bijvoorbeeld MOE-landen, zoals Polen, worden ook wel arbeidsmigranten genoemd. Deze werknemers reizen naar andere landen om daar arbeid te verrichten. Volgens de overheid dienen deze arbeidsmigranten gelijkwaardig te worden behandeld als Nederlandse werknemers die hetzelfde werk uitvoeren. Toch is er in de praktijk helaas vaak niet sprake van equal pay. In plaats van equal pay worden uitzendkrachten uit bijvoorbeeld MOE-landen dikwijls onderbetaald. Door equal pay in te voeren worden veel werknemers uit MOE-landen veel duurder voor opdrachtgevers in Nederland.

Wie voert de NEN 4400-2 norm uit?
De controle met betrekking tot NEN 4400-2 norm wordt sinds juli 2014 uitgevoerd door Stichting Crossborder Labour Inspection Body deze organisatie wordt in de praktijk vaak aangeduid met CLIB. Deze stichting controleert ondernemingen op basis van de naleving van de NEN 4400-2. Tijdens een controle of audit worden door de CLIB verschillende zaken gecontroleerd:

  • de onderneming en de tenaamstelling daarvan;
  • de aard van de activiteiten van de onderneming;
  • de personeelsadministratie;
  • de loonadministratie;
  • de financiële administratie;
  • de inleenconstructies, doorleensituaties en uitbesteding  van werk door de onderneming.

CLIB voert periodieke controles uit bij ondernemingen op basis van de NEN 4400-2. De hiervoor genoemde onderwerpen zijn voor een groot deel vastgelegd in wetten en regels zoals de volgende wetten: Wet Arbeidsvoorwaarden Grensoverschrijdende Arbeid (WAGA) en de Wet Allocatie Arbeidskrachten door intermediairs (WAADI). De controleur die namens de CLIB de audit voor de NEN 4400-2 uitvoert zal goed op de hoogte moeten zijn van deze wetten en moet ook weten hoe deze wetten worden vertaald in de bedrijfsvoering van de uitzendondernemingen die hij of zij auditeert.

NEN 4400-1 norm en het SNA keurmerk

De norm NEN 4400-1 is een Nederlandse norm die van toepassing is op bedrijven die personeel ter beschikking stellen aan andere ondernemingen. Hierbij kun je denken aan uitzendbureaus maar ook aan payrollbedrijven. Ook op onderaannemers op de bouw is de NEN 4400-1 norm van toepassing. Deze norm bevat eisen die waaraan de eerder genoemde bedrijven zich moeten houden zoals de tijdige aangifte en de afdracht van omzetbelasting en de loonheffingen. Ook dienen de werknemersdossiers volgens de normen te worden geadministreerd. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met de voorschriften en wetten met betrekking tot de persoonsgegevens en privacy.

Waarom de NEN 4400-1 norm?
Als een onderneming arbeidskrachten bemiddeld draagt deze onderneming een grote verantwoordelijkheid naar de uitzendkrachten toe maar ook naar het inlenende bedrijf. De uitzendkrachten en andere flexkrachten dienen tijdig te worden betaald en moeten bovendien op de juiste manier worden betaald. Dit houdt in dat ze goed dienen te worden ingeschaald en dat er afdrachten over het loon conform de wetgeving dienen te worden gedaan. De NEN 4400-1 norm is daarom een middel om duidelijkheid te verschaffen op de flexmarkt.

Bedrijven in de arbeidsbemiddeling hebben door deze norm duidelijke richtlijnen waaraan ze moeten voldoen. Dat zorgt er voor dat bedrijven de juiste dienstverlening kunnen bieden in de flexbranche. Het zorgt er ook voor dat oneerlijke en onprofessionele organisatie in de flexbranche aangepakt kunnen worden als ze zich niet aan de NEN 4400-1 norm houden. Hierdoor wordt de uitzendbranche in Nederland gezonder en dat komt uitzendkrachten en inlenende bedrijven ten goede. De uiteindelijke doelstelling van de minister was het maken van een landelijk register waarin alle bonafide uitzendbureaus en andere arbeidsbemiddelingsbureaus zouden worden genoteerd.

Hoe is de NEN 4400-1 tot stand gekomen?
De NEN 4400-1 norm is tot stand gekomen in 2006. Verschillende organisaties in de flexbranche hebben met elkaar samengewerkt om de NEN 4400-1 op te stellen. De volgende ondernemingen, stichtingen en organisaties hebben hierin in ieder geval een bijdrage gehad:

  • ABU (met het SFT register),
  • NBBU (met het SVU-register),
  • RIV,
  • RIA,
  • BRO register

Door de NEN 4400-1 krijgen uitzendondernemingen en andere ondernemingen op de flexmarkt duidelijke richtlijnen waaraan ze moeten voldoen en ontstaat bovendien 1 register in plaats van 5 registers met namen van uitzendbureaus die aan de normen voldoen.

SNA keurmerk
Op basis van de NEN 4400-1 norm worden inspecties verricht. Als de onderneming de NEN 4400-1 inspectie succesvol doorkomt zal deze een SNA keurmerk ontvangen. Dit SNA-keurmerk maakt inzichtelijk dat de uitzendonderneming of de onderaannemer voldoet aan de eisen die geleden om fraude en illegaliteit te bestrijden en risico’s voor ondernemingen te beperken. Het SNA keurmerk bevat de afkorting SNA deze afkorting staat voor Stichting Normering Arbeid. Deze stichting verstrekt dit SNA keurmerk aan (onder)aannemers en uitzendondernemingen. Het SNA keurmerk wordt echter pas verstrekt als de onderneming is gekeurd op de volgende aspecten:

  • de identiteit van de (uitzend)onderneming;
  • de aangifte en afdracht van de omzetbelasting en loonheffingen;
  • eventuele strijdigheid van loonbetaling met Wet Minimumloon;
  • controle op de personeelsdossiers op volledigheid en juistheid;
  • de werkwijze die het uitzendbureau of de (onder)aannemer hanteert bij het voorkomen van risico’s van het inlenen en doorlenen of uitbesteden van werk.

Als een organisatie voldoet aan de NEN 4400-1 norm dan voldoet de organisatie in ieder geval aan bovenstaande punten. De organisatie VRO voert de audits en controles uit met betrekking tot de hiervoor genoemde punten.

Het certificaat wordt naar een succesvolle audit door de SNA verstrekt en de naam van de uitzendonderneming wordt genoteerd in het register van SNA. Dit SNA register vervangt een aantal andere registers die hiervoor werden genoemd en maakt duidelijk dat de uitzendonderneming aan de genoemde eisen van NEN 4400-1 voldoet.

Wat is een bouwheer?

Bouwheer is een term die wordt gebruikt om de opdrachtgever van de architect aan te duiden. De bouwheer is dus de persoon die de architect of architectenbureau de opdracht geeft om een gebouw te ontwerpen. Daarnaast zorgt de bouwheer voor de aanbesteding. De bouwheer gunt het werk aan de aannemer en is daarna tevens de opdrachtgever van de aannemer. Kortom de bouwheer is de opdrachtgever en de aannemer is de persoon die de opdracht aanneemt en dus uitvoert.

Een aannemer kan vervolgens gespecialiseerde onderaannemers inschakelen om bepaalde gedeelten van de opdracht uit te voeren. De aannemer schakelt en overlegt met de bouwheer. In Nederland gebruikt men de term bouwheer bijna niet meer. In Duitsland gebruikt men het woord bouwheer echter nog wel, uiteraard in het Duits. Daar wordt een bouwheer een Bauherr genoemd. een Bauherr heeft in Duitsland ook nog een juridische betekenis.

Wat is een aannemer?

Een aannemer of aannemersbedrijf is een bedrijf dat ingezet wordt om een bouwproject te coördineren. Daarnaast is een aannemer verantwoordelijk voor de daadwerkelijke realisatie van het bouwproject dat de aannemer heeft aangenomen. De aannemer neemt het werk aan van een opdrachtgever. Deze opdrachtgever kan de overheid zijn, een organisatie of een particulier die een woning of ander bouwwerk bijvoorbeeld utiliteitsbouwwerk wil laten bouwen.

Contract
De aannemer sluit met de opdrachtgever een contract. In dit contract zijn de werkzaamheden omschreven waarvoor de aannemer verantwoordelijk is. Naast deze werkzaamheden is ook een prijs vastgelegd en is ook een termijn aangegeven waarbinnen het project uitgevoerd dient te worden.

Architect
Een opdrachtgever voor een bouwproject ontwerpt het bouwwerk meestal zelf niet. Het is daarom goed mogelijk dat een opdrachtgever een speciaal bureau inschakelt om het bouwwerk te ontwerpen. Meestal zijn dit architectenbureaus. Een dergelijk bureau kan ook als toezichthouder optreden op de bouwplaats om te controleren of alles volgens het bestek wordt uitgevoerd door de aannemer.

Bestek
Het bouwwerk dat door een architect is ontworpen wordt over het algemeen omgezet in een bestek. Dit bestek bestaat onder andere uit tekeningen en omschrijvingen van het object dat gebouwd moet worden. De tekeningen in een bestek worden ook wel bestektekeningen genoemd. Een bestek kan een functionele beschrijving zijn van het werk maar ook een volledige beschrijving. Verder kan een bestek worden vormgegeven als een prestatiebeschrijving. Op basis van het bestek kan een aannemer een schatting geven van de prijs of de exacte prijs bepalen. Het bedrag waarvoor een project wordt aangenomen wordt ook wel de aanneemsom genoemd.

Onderaannemers
Een aannemer is verantwoordelijk voor de realisatie van een bouwproject. Daarvoor heeft de aannemer een contract getekend en de nodige documentatie ontvangen in de vorm van een bestek. In een bestek kunnen echter werkzaamheden omschreven zijn die de aannemer zelf niet uit kan voeren omdat de aannemer daarvoor bijvoorbeeld te weinig tijd heeft of omdat de aannemer daarvoor niet de nodige expertise of certificaten heeft. In dat geval zal een aannemer genoodzaakt zijn om andere bedrijf in de arm te nemen om de desbetreffende werkzaamheden uit te voeren.

Deze bedrijven nemen als het ware dus werk aan van de hoofdaannemer. Een hoofdaannemer kan dus onderaannemers inzetten om specifieke onderdelen van het bestek uit te voeren. Ook hiervoor worden contracten opgesteld. De hoofdaannemer blijft echter verantwoordelijk voor de realisatie voor het project. De onderaannemers dienen echter met de hoofdaannemer duidelijke afspraken te maken over de werkzaamheden waarvoor zij als onderaannemer verantwoordelijk worden gesteld.

Soorten onderaannemers
Het werk op de bouw is divers. Daardoor zijn er veel specialistische functies ontstaan in de loop der tijd. Dit heeft er vervolgens weer voor gezorgd dat er weer specialistische bedrijven zijn ontstaan. Een aantal voorbeelden van specialistische bedrijven die vaak als onderaannemers worden ingezet zijn:

  • Installatiebedrijven
  • Vloerenleggers
  • Stukadoors
  • IJzervlechters
  • Schilders
  • Telecombedrijven

Wat ketenaansprakelijkheid?

Ketenaansprakelijkheid is een vorm van aansprakelijkheid die bij de wet geregeld is. De Wet Keten Aansprakelijkheid (WKA) is een onderdeel van de invorderingswet 1990. De WKA is ingevoerd om de hoofdaannemers aansprakelijk te stellen als de onderaannemers de loonbelasting of premies niet betalen. Deze niet betaalde loonbelasting of premies worden in dat geval verhaald op de partij die de inleenkrachten heeft ingehuurd.

Waarom is de ketenaansprakelijkheid ingevoerd?
De ketenaansprakelijkheid is door de overheid ingevoerd omdat het in de praktijk nog wel eens voor kwam dat een onderaannemer failliet ging en daardoor de sociale verzekeringspremies en de belastingen niet betaalde. De belastingdienst liep hierdoor geld mis en wilde dit geld verhalen op de aannemers. De ketenaansprakelijkheid werd ingevoerd door de invorderingswet. Daardoor kon de belastingdienst alsnog het geld claimen bij de aannemer.

Waarom de naam ketenaansprakelijkheid?
De naam ketenaansprakelijkheid is bewust gekozen voor deze wettelijke vorm van aansprakelijkheid. Er kan namelijk in de praktijk doormiddel van inlenen en doorlenen een ketting of keten ontstaan. Een bouwbedrijf kan bijvoorbeeld een installatiebedrijf inhuren voor het installatiewerk dat op het bouwproject gedaan moet worden.

Het installatiebedrijf kan echter ook installatiemonteurs van een uitzendbureau inlenen. In dit geval zijn de uitzendkrachten in feite twee keer ingeleend namelijk door het installatiebedrijf en door de hoofdaannemer van het bouwproject. Zo ontstaat een keten in de verantwoordelijkheid voor de afdracht van premies en belastingen. Uiteindelijk is de hoofdaannemer aansprakelijk voor al deze onderaannemers. De inlenende partij moet er daarom alles aan doen om er voor te zorgen dat hij zaken doet met betrouwbare onderaannemers. Als de hoofdaannemer dit niet doet gaat hij een behoorlijk groot financieel en juridisch risico aan.

Wat is inlenersaansprakelijkheid?

Inlenersaansprakelijkheid is een wettelijke regeling die bepaald dat een inlenende partij verantwoordelijk gehouden kan worden voor het in gebreke blijven van een uitlener bij het uitbetalen van loonbelasting of premies. Even een voorbeeld om dit te illustreren:

Een bouwbedrijf leent van een uitzendbureau tien uitzendkrachten in. Het uitzendbureau blijft in deze situatie de feitelijke werkgever en is verantwoordelijk voor het betalen van loonbelasting of premies over deze uitzendkrachten. Als het uitzendbureau hierbij in gebreke blijft dan kan ook de inlenende partij, in dit geval het bouwbedrijf, hiervoor aansprakelijk worden gesteld. Dit houdt in dat het bouwbedrijf door de wet verplicht kan worden om deze premies en loonbelasting alsnog te voldoen.

Ketenaansprakelijkheid
De inlenersaansprakelijkheid is een Ketenaansprakelijkheid. Hierbij wordt de aansprakelijkheid in een keten doorgegeven van onderaannemer op de hoofdaannemer. In het geval van de inlenersaansprakelijkheid gaat het om de niet betaalde loonbelasting of premies te verhalen op de inlenende partij. De inlenersaansprakelijkheid is een onderdeel van de invorderingswet 1990.

Invorderingswet 1990
Deze wet is ingevoerd op 30 mei 1990 door de overheid omdat de belastingdienst in een aantal gevallen de premies en belastingen niet ontving van bedrijven. Dit kwam bijvoorbeeld omdat de onderaannemers of de uitlenende partijen zoals uitzendbureaus failliet gingen of om andere redenen hun verplichtingen niet nakwamen. De invorderingswet 1990 is overigens niet alleen gericht op de inlenersaansprakelijkheid.  Met de invorderingswet 1990 zijn de invordering van alle rijksbelastingen, met uitzondering van invoerrechten en accijnzen, geregeld.

Beperken risico inlenersaansprakelijkheid
De inlener draagt financiële risico’s door de inlenersaansprakelijkheid. Ondernemers willen over het algemeen risico’s beperken en dat is ook mogelijk in dit geval. Een opdrachtgever of aannemer kan een verklaring inzake betalingsgedrag verlangen van een uitlener (uitzendbureau onderaannemer).

Daarnaast kan een opdrachtgever ook een deel van het factuurbedrag voor de uitlener storten op een zogenoemde g-rekening. Hierop kan alleen het bedrag worden gestort dat bestemd is voor loonheffingen en omzetbelasting storten. De uitlener kan zelf niet aan het bedrag op de g-rekening komen omdat een g-rekening een geblokkeerde rekening is. De bedragen die op de g-rekening staan worden rechtstreeks aan de belastingdienst betaald. Er is hier wel een uitzondering op.

Als de uitlener de arbeidskrachten ook heeft ingeleend van een andere partij (andere uitlener) dan kan het bedrag op de g-rekening over worden gemaakt aan die uitlener. Zo verschuift het bedrag op de g-rekening naar een andere g-rekening om uiteindelijk te worden betaald aan de belastingdienst. Dit inlenen en doorlenen zorgt voor een zogenoemde keten. De aansprakelijkheid verschuift in deze keten door naarmate er meer ‘schakels’ worden toegevoegd. Daarom heeft men het ook wel over ketenaansprakelijkheid.

Wat is de inlenersaansprakelijkheidsregeling?

Bij de inlenersaansprakelijkheidsregeling is er sprake van drie partijen: de inlener, de uitlener en de inleenkracht. De inlener is een opdrachtgever die een werknemer van de uitlener inhuurt. Deze uitlener is bijvoorbeeld een uitzendbureau. Een inleenkracht kan een uitzendkracht zijn of een gedetacheerde. De overheid wil voorkomen dat uitleners zoals uitzendbureaus de afdracht van loonheffingen en omzetbelasting misbruiken of onjuist navolgen.

De overheid wil de uitlener dwingen om deze loonheffing en omzetbelasting af te dragen. Daarbij kijkt de overheid niet alleen naar de uitlener ook de inlener wordt aansprakelijk gehouden voor het onjuist naleven van de afdrachten van de uitlener. Dit noemt men ook wel de inlenersaansprakelijkheidsregeling.

De inlener aansprakelijk stellen
Doormiddel van de inlenersaansprakelijkheidsregeling wordt ook de inlener van inleenkrachten aansprakelijk gesteld voor de loonheffingen en omzetbelasting wanneer de uitlener van de werknemers deze heffingen niet betaalt of niet afdraagt. Door de inlenersaansprakelijkheidsregeling wordt ook de doorlener van arbeidskrachten aansprakelijk gesteld als de uitlener in gebreke blijft met het betalen van de loonheffingen en omzetbelasting.

Wet Keten Aansprakelijkheid (WKA)
De Wet Keten Aansprakelijkheid (WKA) is een wet die vorm geeft aan de inlenersaansprakelijkheid. In deze wet is vastgelegd dat een hoofdaannemer verantwoordelijk kan worden gesteld als een onderaannemer geen loonbelasting of geen premie volksverzekering en geen werknemersverzekering afdraagt.

In de naam “Wet Keten Aansprakelijkheid (WKA)” wordt duidelijk het woord ‘keten’ benoemd. Daarmee bedoelt men dat de aansprakelijkheid ook het geval is wanneer er een keten van een aantal aannemers wordt gevormd. Elke aannemer die gebruik maakt van ingeleend personeel draagt verantwoordelijkheid voor alle onderliggende ketenen. Het is echter mogelijk om de risico’s van de inlenersaansprakelijkheid te beperken. Dit kan bijvoorbeeld door een verklaring betalingsgedrag en een zogenoemde g-rekening.

Verklaring betalingsgedrag
Zowel de inlener als de doorlener hebben de mogelijkheid om het risico van hun aansprakelijkheid te beperken. Dit kan bijvoorbeeld door een verklaring inzake betalingsgedrag van hun uitlener te vragen en daarnaast te voldoen aan hun administratieve verplichtingen.

G-rekening
Naast de verklaring betalingsgedrag bestaat er verder bij sommige uitleners en onderaannemers de mogelijkheid om een zogenoemde g-rekening te gebruiken. Een g-rekening is een geblokkeerde rekening en wordt gebruikt door inleners en uitleners van arbeidskrachten en aannemers en onderaannemers.

Op deze geblokkeerde rekening wordt het deel van het factuurbedrag dat is bestemd voor de loonheffingen en omzetbelasting gestort door de opdrachtgever of inlener. Daardoor kan de inlener de financiële gevolgen van een aansprakelijkstelling beperken.

Geld op de g-rekening
De g-rekening staat echter niet op naam van de opdrachtgever of inlener. De inlener of aannemer stort alleen het deel van de aanneemsom dat bestemd is voor loonheffingen en omzetbelasting op de g-rekening. De onderaannemer of uitlener kan vanaf de g-rekening  alleen geld overmaken naar de belastingdienst om de loonheffing te betalen van de uitgeleende krachten. Hierop kan een uitzondering plaatsvinden wanneer de onderaannemer of uitlener zelf het desbetreffende personeel ook via een andere uitlener inhuurt. Dan ontstaat er een zogenoemde keten met een ketenaansprakelijkheid. In dat geval mag de onderaannemer het bedrag van de g-rekening overmaken naar de g-rekening van de derde partij waar het personeel van wordt ingeleend.

Wat wordt bedoelt met de bouwfraude of bouwfraudezaak?

De bouwfraude of de bouwfraudezaak is een term die verwijst naar de periode waarin tussen 1990 en 2000 in Nederland onregelmatigheden zijn opgetreden bij de aanbestedingsprocedures van overheidsprojecten. De bouwfraude gaat vooral over de geheime prijsafspraken tussen bouwbedrijven. Deze geheime prijsafspraken zorgden er voor dat er oneerlijke concurrentie plaatsvond in de bouwsector bij aanbestedingen van de overheid. De mogelijke misstanden bij de aanbestedingen van de overheid zijn in 2002 onderzocht.  Dit gebeurde doormiddel van een parlementaire enquête.

De kern van de bouwfraudezaak
De overheid deed voor onder andere wegenbouwprojecten en de aanleg van tunnels aanbestedingen. In plaats van een eerlijke concurrentie tussen aannemers werden er echter bij de offertes tussen de aannemers onderlinge afspraken gemaakt.  De aannemers verdeelde de opdrachten van de overheid onder elkaar terwijl die openbaar aanbesteed moesten worden. De aannemer die de opdracht verkreeg moest aan de overige concurrenten in ieder geval de kosten vergoeden die gemaakt werden voor het opstellen en uitbrengen van de offerte. De afspraken tussen de aannemers werden gemaakt door regelmatig een vergadering te houden. Naast de onderlinge afspraken tussen de aannemers werden ook in een aantal gevallen ambtenaren gefêteerd of in sommige gevallen omgekocht.

Omvang van de bouwfraudezaak
De omvang van de bouwfraudezaak is groot. In totaal zouden 344 Nederlandse bouwbedrijven zich schuldig hebben gemaakt aan fraude. Het daadwerkelijke aantal bouwbedrijven dat zich met fraude zou hebben ingelaten kan veel hoger liggen. Niet alle gevallen van fraude kunnen namelijk bewezen worden. De bouwbedrijven waarbij fraude werd geconstateerd zijn op 11 februari 2005 met de regering overeengekomen dat er een schadevergoeding door de schuldige bedrijven moet worden betaald. Deze gezamenlijke schadevergoeding werd vastgesteld op 70 miljoen euro.

Ook tegenwoordig wordt bij aanbestedingen en twijfel over de toekenning van opdrachten door de overheid nog regelmatig teruggedacht aan de bouwfraudezaak. Daarom hoort men ook nu nog het woord bouwfraude.

Wat is een bestek in het kader van de bouwkunde?

In de bouwkunde wordt het woord bestek regelmatig gebruikt. Voordat men een gebouw gaat bouwen is het belangrijk dat het bouwbedrijf en de opdrachtgever precies weten wat er gebouwd gaat worden en hoe het gebouwd moet worden. Daarom wordt een bestek opgesteld. Dit bestek is een omschrijving van het bouwwerk en de bijbehorende werkzaamheden. Daarnaast zijn ook alle technische en juridische bepalingen aangeven. De materialen en de uitvoeringsvoorwaarden zijn ook in het bestek beschreven zodat de aannemer precies weet wat er gebouwd moet worden en wat er verder van de aannemer wordt verwacht.

In een bestek wordt het geplande gebouw ook gevisualiseerd. Dit gebeurd aan de hand van tekeningen. De bestektekeningen zorgen samen met de technische beschrijving voor de basis van het bestek. Een bestek kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Zo kan een bestek een functionele beschrijving of een prestatiebeschrijving zijn. Daarnaast kan een bestek ook een volledige beschrijving zijn van het bouwproject. Op basis van het bestek kan meestal een goede indicatie worden gegeven van de prijs.

Stichting STABU
Een bestek moet duidelijk zijn en volledig daarom is het belangrijk dat een bestek wordt opgesteld volgens een besteksystematiek die voor alle bedrijven in de bouwnijverheid herkenbaar is. De stichting STABU is een samenwerkingsverband van grote organisaties in de Nederlandse bouwnijverheid en gevestigd in Ede. De naam STABU is een afkorting die staat voor Standaardbestek Utiliteitsbouw. Deze stichting is opgericht op 13 oktober 1976 en houdt zich bezig met het uitgeven en beheren van de gestandaardiseerde besteksystematiek. Deze besteksystematiek wordt gebruikt voor zowel de woningbouw als de utiliteitsbouw.

Opbouw van een bestek
Het eerste deel van een bestek bevat een algemene omschrijving van het bouwproject. Hierin staan algemene gegevens over het project en worden de bepalingen genoemd over de werkzaamheden van derden. Verder staan er regelingen met betrekking tot aanbesteding en inschrijving.

Na deze algemene omschrijving is aangeven welke voorschriften en voorwaarden van toepassing zijn. de bepalingen over tekeningen en berekeningen komen aan bod. Hierbij wordt onder andere ingegaan op verantwoordelijkheden en verzekeringen. Verder worden bepalingen benoemd over verrekeningen van wijzigingen en de kosten van meerwerk en minderwerk. Bepalingen omtrent arbeidsomstandigheden en bouwplaatsvoorzieningen komen eveneens aan bod.

Na deze algemene beschrijvingen en toelichtingen worden de werkzaamheden in onderdelen beschrijven. Hierin worden ook de materialen benoemd en de specificaties. Als er bepalingen zijn die afwijken van de STABU worden deze duidelijk benoemd.

UAV 2012
Voor de administratieve basis van een bestek UAV 2012 gebruikt. Deze afkorting staat voor Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012. De nieuwe UAV 2012 is aangepast aan het Burgerlijk Wetboek 7 titel 12 aanneming van werk. De UAV 2012 zijn op 30 januari 2012 bij ministeriële beschikking vastgesteld. Onder een bestek wordt volgens lid 1 van paragraaf 1 “Aanduidingen, begripsbepalingen” van de UAV 2012 het volgende verstaan:

  • de beschrijving van het werk;
  • de daarbij behorende tekeningen;
  • de voor het werk geldende voorwaarden;
  • de nota van inlichtingen;
  • het proces-verbaal van aanwijzing.